11/1604 WAJONG-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 januari 2011, 10/2517 (aangevallen uitspraak) Datum uitspraak: 21 mei 2012 Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 14 december 2011 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 14 december 2011 heeft appellant verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 april 2012, waar partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 14 december 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 10 oktober 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald. In het verzetschrift heeft appellant aangevoerd dat hij nooit een verzoek tot betaling van het verschuldigde griffierecht heeft ontvangen. De Raad stelt vast dat de aangetekende brief van 10 oktober 2011 op 4 november 2011 bij de Raad retour is ontvangen met op de enveloppe de door PostNL aangebrachte mededeling “niet afgehaald”. Op 4 november 2011 is deze brief nogmaals - per gewone post - aan appellant gezonden. Daarbij is erop gewezen dat met de nieuwe toezending niet opnieuw een termijn gaat lopen. Volgens vaste rechtspraak (ook) van de Raad dienen de gevolgen van het niet afhalen van een poststuk voor rekening van de geadresseerde te blijven zolang niet vaststaat dat een onjuiste of onduidelijke adressering van dat stuk tot een onjuiste bezorging heeft geleid. Uit de gedingstukken blijkt dat de brief van 10 oktober 2011 aan het - juiste - adres van appellant is gezonden. De Raad wijst er verder op dat de brief van 4 november 2011 en ook een eerder door de Raad op 9 september 2011 eveneens per gewone post verzonden brief met betrekking tot de verschuldigdheid van het griffierecht niet retour zijn ontvangen bij de Raad. In die omstandigheden is er geen grond voor de vaststelling dat de brief van 10 oktober 2011 onjuist is bezorgd. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2012. (get.) T.G.M. Simons (get.) D.W.M. Kaldenhoven JL
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.