09/6651 WWB 12/307 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 november 2009, 09/314 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (appellant) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 29 mei 2012 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Pilgram. Betrokkene is verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Betrokkene ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 5 oktober 2005 ingetrokken. Bij uitspraak van 17 maart 2006 heeft de rechtbank Zutphen het beroep tegen de beslissing op bezwaar inzake deze intrekking van bijstand ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juli 2006, LJN AY1704, heeft de voorzieningenrechter van de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Betrokkene heeft tweemaal, laatstelijk op 2 oktober 2008, een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de rechtbank ingediend tot herziening van haar uitspraak van 17 maart
- Op deze verzoeken is afwijzend beslist. 1.
- Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen op 9 oktober 2008 heeft betrokkene zich op 10 oktober 2008 gemeld voor het aanvragen van bijstand. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij met ingang van 1 oktober 2005 bijstand wenst te ontvangen. Bij besluit van 12 november 2008 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 10 oktober 2008 bijstand toegekend, omdat appellant niet was gebleken van bijzondere omstandigheden die verlening van bijstand vóór die datum rechtvaardigen. Bij besluit van 28 januari 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene dat gericht was tegen de ingangsdatum van de bijstandverlening ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de uitlatingen van vertegenwoordigers van appellant ter zitting van 9 oktober 2008 niet anders kan worden afgeleid dan dat ook appellant tot de conclusie is gekomen dat sprake was van een onhoudbare toestand, mede veroorzaakt door het optreden van medewerkers van appellant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat geen aanleiding bestond om in ieder geval een gedeelte van de hier van belang zijnde periode waarin betrokkene geen nieuwe aanvraag heeft ingediend, voor zijn verantwoordelijkheid te laten komen. 3.
- Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant bestrijdt dat hij tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een onhoudbare toestand, die mede is veroorzaakt door het optreden van zijn medewerkers en dat dit kan worden afgeleid uit de uitlatingen van zijn gemachtigden ter zitting van 9 oktober
- Dat een van die gemachtigden ter zitting heeft verklaard dat ervoor zal worden gezorgd dat betrokkene bij een nieuwe melding om bijstand aan te vragen correct wordt behandeld, kan niet worden gezien als een erkenning dat dit eerder niet het geval is geweest. Appellant is niet gebleken van een incorrecte handelwijze of bejegening van de zijde van appellant jegens betrokkene waardoor hij niet eerder in staat was om bijstand aan te vragen. Naar de mening van appellant heeft betrokkene bewust de afweging gemaakt om hangende de eerdere gerechtelijke procedures geen nieuwe aanvraag in te dienen, terwijl hij tijdens die procedures herhaaldelijk is gewezen op de mogelijkheid om opnieuw bijstand aan te vragen. 3.
- Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 30 december 2011 het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2008 opnieuw ongegrond verklaard.
- Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat het in 1.1 genoemde besluit van 27 oktober 2005 niet rechtsgeldig is, omdat het niet is ondertekend. Daaruit vloeit zijns inziens voort dat de intrekking van bijstand niet rechtsgeldig was en hij onveranderd recht heeft op bijstand van appellant. Voorts is betrokkene van mening dat de vertegenwoordiger van appellant ter zitting van de voorzieningenrechter hem heeft toegezegd dat hij in het vervolg door medewerkers van de Sociale Dienst fatsoenlijk zal worden behandeld omdat het beleid is aangepast. Deze toezegging toont aan dat de vertegenwoordiger zelf van mening is dat betrokkene eerder niet fatsoenlijk is behandeld en dat het beleid van de Sociale Dienst is geweest om uitkeringsgerechtigden onfatsoenlijk te behandelen. Betrokkene was pas bereid opnieuw bijstand aan te vragen nadat appellant had erkend dat hij onheus door medewerkers van appellant was bejegend. Ter zitting heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat voor bijstandsverlening met ingang van 28 oktober
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
- Het besluit van 30 december 2011 wordt aangemerkt als een besluit dat op voet van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling dient te worden betrokken. 5.
- In dit geding is de vraag aan de orde of sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat bijstand wordt toegekend met ingang van een datum voorafgaand aan de datum waarop betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Derhalve is niet aan de orde, zoals betrokkene meent, of het intrekkingsbesluit van 27 oktober 2005 - dit besluit is met de in 1.1 genoemde uitspraak van 4 juni 2006 onherroepelijk geworden - rechtsgeldig is en of vanaf 5 oktober 2005 onafgebroken sprake is van een rechtsbetrekking tussen appellant als uitvoerder van de WWB en betrokkene als bijstandgerechtigde. 5.
- Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Anders dan betrokkene meent, biedt de tekst van deze bepaling op zichzelf geen ruimte om bijstand toe te kennen met ingang van een eerdere datum dan die van de melding. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 5 oktober 2010, LJN BN9651, wordt over de periode voorafgaande aan de melding in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend. De periode hier van belang loopt van 28 oktober 2005, de dag met ingang waarvan betrokkene bijstand wenst, tot 10 oktober 2008, de dag waarop betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen en met ingang waarvan hem bijstand is verleend. 5.
- De rechtbank heeft de conclusie dat appellant erkent dat sprake was van een onhoudbare situatie, mede veroorzaakt door het optreden van zijn medewerkers, met name getrokken uit het volgende citaat uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2008: “Ter zitting heeft de heer [D.] aangegeven dat verzoeker zich opnieuw kan melden bij de gemeente, dat er voor gezorgd zal worden dat verzoeker correct wordt behandeld en mevrouw [B.] heeft toegezegd dat zij persoonlijk zal toezien op de afhandeling van een nieuwe aanvraag van verzoeker.” Deze uitlatingen van de beide medewerkers van appellant rechtvaardigen evenwel niet de conclusie die de rechtbank heeft getrokken. De mededeling dat betrokkene bij een volgende aanvraag correct zal worden behandeld, betekent niet, zoals betrokkene meent, dat appellant erkent dat betrokkene voorheen niet correct of zelfs onfatsoenlijk is behandeld. Aannemelijk is dat, zoals appellant heeft aangevoerd, deze uitlatingen enkel waren bedoeld als een soort van garantie of geruststelling om betrokkene ertoe te bewegen na drie jaar opnieuw bijstand aan te vragen. Het oordeel dat aan de kant van appellant niet altijd correct met betrokkene is omgegaan en dat ook appellant tot de conclusie was gekomen dat sprake was van een onhoudbare toestand, is behalve met dit citaat op geen enkele wijze onderbouwd. In de gedingstukken is geen steun te vinden voor het standpunt van betrokkene dat hij destijds door medewerkers van appellant onheus is behandeld, hetgeen voor hem een beletsel vormde om zich eerder dan op 10 oktober 2008 opnieuw te melden voor bijstand. 5.
- De opvatting van betrokkene dat hij destijds onheus is bejegend door medewerkers van appellant en hij pas bereid was een aanvraag in te dienen zodra appellant deze onheuse bejegening zou erkennen, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigt. 5.
- Uit 5.2 tot en met 5.5 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de grondslag aan het besluit van 30 december 2011 komen te ontvallen, zodat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Het verzoek van betrokkene om appellant te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente moet dan ook worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep ongegrond; - vernietigt het besluit van 30 december 2011; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J.M. Heijs en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei
- (get.) J.F. Bandringa. (get.) M.R. Schuurman. HD