11/3192 WSF-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 3 mei 2011, 10/1764 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister) Datum uitspraak 5 juni
- PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 14 oktober 2011 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2011 heeft appellant verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 7 mei
- Appellant is verschenen. De Minister is niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 14 oktober 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 15 augustus 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald. In verzet heeft appellant naar voren gebracht dat hij voor de procedure bij de rechtbank Roermond al griffierecht heeft betaald en dat hij financieel niet in staat is (ook) voor het hoger beroep griffierecht te betalen. De Raad stelt vast dat appellant zich niet voor het einde van de betalingstermijn tot de Raad heeft gewend met de mededeling dat hij niet in staat is het verschuldigde griffierecht te betalen. Eerst bij brief van 26 september 2011 heeft appellant de Raad verzocht de betalingstermijn op te schorten. Aangezien de betalingstermijn inmiddels was verstreken, heeft de Raad niet gereageerd op deze brief. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet bestaat geen aanleiding. Naar aanleiding van het door appellant ter zitting gedane verzoek hem te laten weten welke (beroeps)mogelijkheden hij nog heeft, merkt de Raad op dat appellant niets anders meer kan doen dan zich - schriftelijk - tot de Minister wenden met het verzoek om terug te komen van de eerdere besluitvorming. Daarbij is van belang dat de Minister bevoegd (maar niet verplicht) is om een dergelijk verzoek af te wijzen indien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni
- (get.) T.G.M. Simons. (get.) D.W.M. Kaldenhoven. TM