← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7668

11/4464 WW-V Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 juli 2011, 10/1164 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 4 juni

  1. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 30 november 2011 heeft de Raad het namens appellant door mr. L. de Koning, fiscaal en juridisch adviseur, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 30 november 2011 heeft mr. De Koning namens appellant verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 7 mei
  2. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Koning. Het Uwv is niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 30 november 2011 berust op de overwegingen dat de gronden van het hoger beroep niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 10 oktober 2011 gestelde termijn van vier weken zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest. Naar aanleiding van de brief van 10 oktober 2011 heeft de gemachtigde van appellant de Raad bij brief van 16 november 2011, bij de Raad ingekomen op 18 november 2011, bericht dat partijen in onderhandeling zijn om tot een minnelijke regeling te komen en verzocht uitstel te verlenen voor het indienen van de gronden tot 1 april
  3. De Raad stelt vast dat de brief van 16 november 2011 na het verstrijken van de bij de brief van 10 oktober 2011 gestelde termijn is verzonden. In verzet heeft de gemachtigde van appellant naar voren gebracht dat hij op 21 oktober 2011 telefonisch contact heeft gehad met een met name genoemde medewerkster van (de griffie van) de Raad over de mogelijkheid van uitstel voor het indienen van de gronden. Daarbij heeft de betrokken medewerkster medegedeeld dat een verzoek om uitstel schriftelijk moet worden gedaan. Met de brief van 16 november 2011 is uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken. Alles is binnen de termijn gebeurd, aldus de gemachtigde van appellant. Voor zover de gemachtigde van appellant met het voorgaande (tevens) heeft willen betogen dat de betrokken medewerkster uitstel zou hebben verleend voor het indienen van de gronden of zou hebben ingestemd met het doen van een verzoek daartoe na het verstrijken van de gestelde termijn, volgt de Raad dit niet. Uit de verklaring van de gemachtigde van appellant komt niet meer naar voren dan dat de betrokken medewerkster de gemachtigde heeft uitgelegd hoe moest worden gehandeld om uitstel te krijgen. In artikel 4, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006 is neergelegd dat een verzoek om verlenging van een gestelde termijn, moet worden gedaan binnen die termijn. In dat licht is niet aannemelijk - en in strijd met de bestaande werkinstructies - dat een medewerker van (de griffie van) de Raad met een partij een daarvan afwijkende afspraak zou maken. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest, betekent dit dat het verzet ongegrond moet worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en H.C.P. Venema en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni
  4. (get.) T.G.M. Simons (get.) D.W.M. Kaldenhoven RH

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.