10/4215 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 april 2010, 08/2176 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister) Datum uitspraak: 14 juni 2012 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 januari
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. N.I. van Os en C.R. [E.]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud-Kralt, A.A. Jansen en R.T. Mansab. Ter uitvoering van de tussenuitspraak van de Raad van 2 februari 2012, LJN BV3289, heeft de minister bij brief van 15 maart 2012 een toelichting gegeven op zijn door appellante bestreden besluit van 31 oktober
- Bij brief van 10 april 2012 heeft appellante haar zienswijze op deze toelichting gegeven. De Raad heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten. II. OVERWEGINGEN
- Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelvorming verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak. In die tussenuitspraak is de minister opgedragen het gebrek in de motivering met betrekking tot de beweerde verschillen tussen twee organisatie-onderdelen die het verschil in functiewaardering zouden kunnen verklaren, te herstellen. 1.
- De minister heeft in zijn brief van 15 maart 2012 toegelicht waarom de waardering van de appellante opgedragen functie van medewerker (financiële) voorraadadministratie bij [P] wat betreft de kenmerken “complexiteit van de beslissingen” en “effect van de beslissingen” anders is uitgevallen dan de waardering van de volgens appellante soortgelijke functie van medewerker voorraadadministratie bij het [B] van het Landelijk Bevoorrading Bedrijf Koninklijke Landmacht (LBBKL). Kern van de redenering van de minister is (nog steeds) dat de [P]-organisatie (P) een (veel) grotere gelaagdheid heeft dan het [B]-bedrijf (B). Dit brengt mee dat bepaalde soorten aangelegenheden waarin de medewerker bij B zelf mag beslissen, door de medewerker bij P ter beslissing moeten worden voorgelegd aan een hogere functionaris. De medewerker bij P is anders dan die bij B alleen verantwoordelijk voor het voorraadbeheer en mag niet beslissen over wijzigingen in dit beheer. Hij heeft aldus ook slechts te maken met eenduidige keuzefactoren. De minister heeft thans een schema overgelegd waaruit blijkt dat de medewerker bij B binnen zijn afdeling alleen het hoofd Bedrijfsvoering boven zich heeft, terwijl de medewerker bij P binnen zijn afdeling (maar liefst) vier functionarissen boven zich heeft. Onvoldoende grond bestaat om te betwijfelen of het schema correct is en de werkelijke situatie wel juist weergeeft. Mede gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in geding zijnde functiewaardering onhoudbaar is. 1.
- Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit terecht, zij het op niet geheel juiste gronden, in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
- Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten is onder deze omstandigheden geen reden aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en H.C.P. Venema en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni
- (get.) K. Zeilemaker. (get.) M.R. Schuurman. HD