12/17 WWB, 12/18 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30 november 2011, 11/28 en 11/29 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] en [appellant], beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college) Datum uitspraak 20 juni 2012. PROCESVERLOOP00 Namens appellanten heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M.M. Adema. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellanten ontvingen vanaf 16 februari 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op 13 januari 2009 zijn zij gescheiden. Vanaf die datum ontvangt appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, en appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande. 1.2. Bij vonnis van 18 november 2008 heeft de rechtbank Almelo de vanaf 16 mei 2006 op appellanten van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd. Bij arrest van 29 januari 2009 heeft het gerechtshof Arnhem het vonnis van de rechtbank Almelo bekrachtigd. Daartoe heeft het gerechtshof onder meer overwogen dat appellant heeft erkend dat hij gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling heeft gehandeld in ten minste twintig auto’s, en dat bij gebreke van aanwijzingen in andere richting de conclusie geen andere kan zijn dan dat appellant (mede) voor eigen rekening heeft gehandeld. 1.3. Naar aanleiding van de slechte bereikbaarheid van appellant, die op vakantie bleek te zijn geweest zonder daarvan melding te maken, en het vermoeden dat hij nog in auto’s handelt, heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is onderzoek verricht naar advertenties op Marktplaats, is informatie opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer, zijn getuigen gehoord en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 april 2009. 1.4. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij afzonderlijke besluiten van 10 juni 2010 de bijstand van appellanten over de periode 25 april 2008 tot en met 14 november 2008 in te trekken en de over deze maanden gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van € 9.316,83. Bij deze besluiten heeft het college tevens de bijstand van appellanten gedurende een maand met 100% verlaagd op de grond dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. 1.5. Bij afzonderlijke besluiten van 24 november 2010 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 10 juni 2010 gegrond verklaard, de bijstand over de maanden april 2008, juli 2008 en september 2008 (de transactiemaanden) ingetrokken en het bedrag van de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de transactiemaanden vastgesteld op € 4.087,27. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de beschikkingsmacht had over de op naam van de moeder van appellante geregistreerde auto’s met kenteken [kenteken 1] ([type 1]), [kenteken 2] ([type 2]) en [kenteken 3] ([type 3]). Over de maand april 2008 bestaat geen recht op bijstand gelet op de hoogte van de, niet aan het college doorgegeven, inkomsten uit de verkoop van de [type 1], en over de maanden juli 2008 en september 2008 valt het recht op bijstand niet vast te stellen omdat appellanten geen melding hebben gemaakt van het bezit en de verkoop van de [type 2] (juli 2008) en de [type 3] (september 2008). Het college heeft de maatregel gehandhaafd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. 3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stellen zich - samengevat - op het standpunt dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, omdat zij niet in auto’s hebben gehandeld. Het verkopen van de drie op naam van de moeder van appellante staande, en door haar betaalde, auto’s was een familiedienst. Bovendien had appellant toestemming van een contactpersoon van de gemeente om zich te (blijven) begeven in het circuit van de autobranche. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Uit de verklaringen die appellanten tegenover de sociale recherche hebben afgelegd en uit het in 1.2 genoemde vonnis van de rechtbank Almelo en het arrest van het gerechtshof Arnhem blijkt dat appellant gedurende enkele jaren betrokken is geweest bij diverse (mogelijk twintig) autotransacties voor familieleden en vrienden. 4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 10 april 2012, LJN BW1275) rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel van diens vermogen vormt waarover hij ook daadwerkelijk de beschikking heeft of redelijkerwijs kan beschikken. 4.3. In dit geval blijkt uit de gegevens van de Dienst Wegverkeer echter dat de onder 1.5 vermelde auto’s (de auto’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.