← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0508

12/3404 AW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein (college) Datum uitspraak 5 juli

  1. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 februari 2012, 11/
  2. Bij uitspraak van 30 mei 2012, LJN BW7158, heeft de voorzieningenrechter van de Raad een door verzoeker ingediend verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Bij brief van 4 juni 2012 heeft verzoeker opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni
  3. Verzoeker is ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P.W.M. Heijmans. OVERWEGINGEN
  4. Voor een weergave van de in deze zaak van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter kortheidshalve naar de hierboven vermelde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 30 mei
  5. Bij deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de Raad het eerder door verzoeker ingediende verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Daarbij is overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat verzoeker in een financiële noodsituatie verkeert of dreigt te verkeren die een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen. Verder is overwogen dat niet is gebleken dat de medische situatie van verzoeker zodanig is dat om die reden een spoedeisend belang aanwezig moet worden geacht. Hierbij is erop gewezen dat verzoeker de door hem gestelde psychische spanningen niet heeft onderbouwd met medische verklaringen. Ook anderszins was volgens de voorzieningenrechter van de Raad niet gebleken van een spoedeisend belang.
  6. Aan het nieuwe verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat de beëindiging van zijn dienstverband onrechtmatig is, dat hij thans geen werkzaamheden kan verrichten voor de gemeente IJsselstein en dat hij ook elders geen nieuwe functie heeft kunnen vinden. Volgens verzoeker is het voor zijn persoonlijke ontwikkeling en zijn welbevinden van groot belang dat hij zo snel mogelijk weer werkzaam kan zijn bij de gemeente IJsselstein. Daarbij heeft verzoeker zich mede beroepen op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 4.
  8. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien overwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.
  9. Ook thans acht de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aanwezig als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Daarbij verwijst de voorzieningenrechter in de eerste plaats naar de overwegingen van de hiervoor aangehaalde uitspraak van 30 mei
  10. Hetgeen verzoeker aan zijn nieuwe verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag heeft gelegd, leidt niet tot een ander oordeel. De door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden zijn niet van dien aard dat op basis daarvan het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, inhoudende het per direct herstellen van het dienstverband, is geboden. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er nog op dat de door verzoeker gestelde onrechtmatigheid van de bestreden besluitvorming - wat daar verder ook van zij - op zichzelf geen spoedeisend belang oplevert bij het treffen van een voorlopige voorziening. 4.
  11. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
  12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli
  13. (getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans (getekend) A.C. Oomkens HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.