11/690 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 december 2010, 10/1033 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 6 juli
- PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 25 mei
- Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant ontvangt sinds 1988 een WAO-uitkering. Sedert 1 november 2000 wordt deze uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. 1.
- Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het Uwv geweigerd deze uitkering vier weken na 3 oktober 2009 te verhogen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.
- Bij (bestreden) besluit van 23 maart 2010 is het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een toename van de klachten van appellant binnen vijf jaar na de datum van herziening van de uitkering, dus binnen vijf jaar na 1 november
- Er geldt dus een wachttijd van 104 weken.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat na 1 november 2000 herhaaldelijk herbeoordelingen hebben plaats gevonden, de laatste keer in
- Daarbij is appellant telkens ongewijzigd 35-45% arbeidsongeschikt geacht. De besluiten ter zake zijn onherroepelijk geworden. Dit betekent dat in de vijf jaar na 1 november 2000 niet aantoonbaar is gebleken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De door appellant in beroep overgelegde medische stukken hebben de rechtbank niet tot een andere conclusie gebracht.
- Appellant heeft gesteld dat een wachttijd van 104 weken onzin is. Er heeft geen medisch onderzoek plaats gevonden. De rugklachten zijn chronisch en progressief en zeker toegenomen sinds
- 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van de gronden die hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Deze beroepsgronden zijn door de rechtbank besproken en de rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. In hoger beroep heeft appellant geen medische stukken overgelegd die tot een andere conclusie moeten leiden. 4.
- Het hoger beroep slaagt dus niet.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H. Bolt en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli
- (getekend) J. Brand (getekend) G.J. van Gendt TM