12/1823 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet in verband met het geding tussen: Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder) Datum uitspraak: 19 juli 2012 PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 6 februari 2012, kenmerk BZ
- Dit besluit is bij schrijven van 6 februari 2012 aan appellante bekendgemaakt. Het beroepschrift is op 22 maart 2012 bij verweerder ontvangen, op 29 maart 2012 aan de Raad toegezonden en op 2 april 2012 ter griffie ontvangen. Het is blijkens de poststempel op de enveloppe op 21 maart 2012 ter post bezorgd. OVERWEGINGEN Volgens de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt het volgende: De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop het bestreden besluit door middel van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Op grond van de bovenvermelde gegevens moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij schrijven van 10 april 2012 is aan appellante gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellante heeft daarop bij brief van 23 april 2012 geantwoord dat zij diep teleurgesteld was nadat zij was afgewezen als oorlogsslachtoffer en dat zij uiteindelijk weer moed had verzameld om andere instanties te benaderen, dit vergt enige tijd. Hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna is aangegeven. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli
- (getekend) R. Kooper (getekend) P.N. Rijnsewijn Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. HD