10/6940 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2010, 10/2740 (aangevallen uitspraak). Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 18 juli 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft op 12 december 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 17 januari 2012 is namens appellant verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten en de wettelijke rente. Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 12 december 2011 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Appellant heeft de Raad bericht dat hij zich met de nieuwe beslissing op bezwaar van 12 december 2011 kan verenigen en verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten en de wettelijke rente. Nu er tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.