← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3436

ZW 11/890 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 december 2010, 10/2795 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli

  1. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. OVERWEGINGEN
  2. Appellante is op 6 april 2009 uitgevallen voor haar werk als cateringmedewerkster. Naar aanleiding hiervan is aan haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
  3. Bij besluit van 7 januari 2010 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 4 januari 2010 beëindigd, omdat appellante op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
  4. Bij besluit van 23 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 januari 2010 ongegrond verklaard.
  5. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de onderzoeksbevindingen van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank zag geen aanleiding het medisch en arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig te achten. Gelet op de omschrijving van de functie medewerkster catering en de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 22 maart 2010 was de rechtbank van oordeel dat door het Uwv afdoende was gemotiveerd waarom deze functie voor appellante geschikt moest worden geacht.
  6. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Appellante heeft haar in hoger beroep herhaalde standpunt, dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts onvoldoende rekening hebben gehouden met de beperkingen die voortkomen uit haar depressieve klachten en dysthyme stoornis niet met nadere medische gegevens onderbouwd. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding en, mede gelet op de beschikbare gegevens van de behandelend sector, op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellante op die datum niet buiten staat was haar werk te verrichten. Er is dan ook geen reden om een onderzoek door een deskundige te laten verrichten.
  7. Uit hetgeen is overwogen onder 5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus
  9. (getekend) Ch. van Voorst (getekend) K.E. Haan EV

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.