10/6802 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 november 2011, 10/1746 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 3 augustus 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni
- Appellant is verschenen bijgestaan door mr. De Kort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij vanaf 16 december 2009 aanspraak heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij is vastgesteld dat appellant meer dan 35% maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de vaststelling dat appellant 20 uur zou kunnen werken te hoog gegrepen is. Appellant is van mening op grond van zijn eigen ervaringen dat 10 tot 15 uur werken per week wel voor hem te volbrengen is. 4.
- Het is de vraag of appellant, nu hij aanspraak heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals neergelegd in de uitspraak van 24 november 2010, LJN BO4946, en de uitspraak van 15 april 2011, LJN BQ1755) is daarvoor bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. In de situatie van appellant maakt het voor de hoogte van zijn uitkering niet uit wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze ten minste 35% bedraagt. 4.
- Het resultaat dat appellant in deze procedure nastreeft, heeft ook indien de mate van zijn arbeidsongeschiktheid wordt gesteld op 80% of meer, dan ook geen feitelijke betekenis voor hem. Dit brengt met zich mee dat het hoger beroep van appellant vanwege het komen te ontvallen van het procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Raad verwijst hierbij ook naar zijn uitspraak van 15 juni 2012, LJN BW
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus
- (getekend) J. Brand (getekend) Z. Karekezi RK