11/3784 WAO-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2011, 10/3565 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Datum uitspraak: 22 augustus 2012 PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 27 januari 2012 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 27 januari 2012 heeft appellant verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 augustus 2012, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 27 januari 2012 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 9 november 2011 gestelde (laatste) termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. In het verzetschrift heeft appellant verklaard dat hij het griffierecht heeft betaald. Daarbij heeft hij een betalingsbewijs van 5 december 2011 overgelegd, waaruit blijkt dat het griffierecht is overgemaakt naar de rekening van de Raad. Vaststaat dat het griffierecht pas op 9 december 2011 is bijgeschreven op de rekening van de Raad. Dat is na afloop van de in de brief van 9 november 2011 gestelde termijn, die eindigde op 7 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.