11/1363 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2011, 10/5447 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college) Datum uitspraak 2 oktober
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september
- Appellante, daartoe opgeroepen in persoon of bij gemachtigde, is verschenen. Het college, daartoe opgeroepen bij gemachtigde, heeft zich laten vertegenwoordigen door [G.] en [d. G.]. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante heeft op 26 april 2010 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ingediend. In het kader van de afhandeling van deze aanvraag heeft het college appellante bij brief van 11 mei 2010 verzocht een aantal stukken in te leveren. Bij brief van 31 mei 2010 heeft het college appellante verzocht om nog een aantal bewijsstukken te overleggen. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het college aan appellante met ingang van 28 april 2010 bijstand toegekend. Appellante heeft een op 8 juli 2010 gedagtekend, en bij het college ingekomen op 19 augustus 2010, bezwaarschrift ingediend gericht tegen het schrijven van 31 mei
- 1.
- Bij besluit van 4 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding en wegens het ontbreken van procesbelang.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de brief van 31 mei 2010 niet is gericht op rechtsgevolg en niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat het besluit van 31 mei 2010 wel is gericht op rechtsgevolg en het bezwaarschrift inhoudelijk behandeld had dienen te worden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellante voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 5 juli 2011, LJN BR1230) is eerst sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van beroep of hoger beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. 4.
- Tussen partijen is niet in geschil dat aan appellante met ingang van 28 april 2010 bijstand is verleend. Dat brengt mee dat appellante geen rechtens te respecteren, tot haar persoon te herleiden belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van de aangevallen uitspraak. Nu appellante niet om schadevergoeding heeft verzocht wordt daaraan ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet de gevolgtrekking verbonden dat het ervoor wordt gehouden dat appellante ook anderszins geen procesbelang heeft. 4.
- Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober
- (getekend) J.F. Bandringa (getekend) N.M. van Gorkum IJ