← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9373

11/5095 Wsf Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2011, 10/1376 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september

  1. Voor appellant is verschenen mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.
  2. Betrokkene heeft van januari tot en met augustus 2007 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen in de vorm van een basisbeurs. Vanaf september 2007 heeft betrokkene studiefinanciering genoten in de vorm van een lening. Deze lening is vanaf november 2007 op verzoek van betrokkene niet uitbetaald. 1.
  3. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft appellant op basis van het vastgestelde meerinkomen van betrokkene over 2007 een vordering vastgesteld van € 1.685,
  4. 1.
  5. Betrokkene heeft tegen het besluit van 24 juni 2010 bezwaar gemaakt en aangevoerd dat de vaststelling van de vordering niet juist is omdat hij in september en oktober 2007 ten onrechte een lening uitbetaald heeft gekregen. Hij heeft gesteld er om die reden van te zijn uitgegaan dat alleen de inkomsten over de periode januari tot en met augustus 2007 meetelden bij de berekening. 1.
  6. Bij besluit van 7 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, omdat appellant ten onrechte het recht heeft toegepast zoals dat in 2007 voor betrokkene gold. Naar het oordeel van de rechtbank had, nu het herzieningsbesluit is genomen op 24 juni 2010, het recht moeten worden toegepast zoals dat luidde sinds 1 januari
  8. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en zich op het standpunt gesteld dat zijn besluit van 24 juni 2010 moet worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat in 2007 gold.
  9. De Raad overweegt als volgt. 4.
  10. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (zie CRvB 28 november 2011, LJN BU5454), dient de vordering wegens meerinkomen die betrekking heeft op het jaar 2007 te worden vastgesteld op basis van het recht zoals dat in dat jaar gold. Dat het besluit waarin de vordering aan betrokkene is meegedeeld, is genomen en bekendgemaakt in 2010 doet daaraan niets af. De rechtbank heeft dat niet onderkend. 4.
  11. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepsgronden van betrokkene beoordelen. 5.
  12. De vordering die appellant ten laste van betrokkene heeft vastgesteld bestaat voor een deel uit meerinkomen en voor een deel uit een vergoeding voor de reisvoorziening. Zoals ook blijkt uit het besluit van 24 juni 2010 is het meerinkomen bij de vordering begrensd tot het bedrag dat appellant in 2007 aan basisbeurs heeft genoten (€ 726,16). De vordering wegens de verstrekte reisvoorziening is berekend over het gehele jaar (€ 959,64). 5.
  13. De Raad stelt vast dat de hoogte van het toetsingsinkomen dat aan de vaststelling van het meerinkomen ten grondslag ligt tussen partijen niet in geschil is. De stelling van betrokkene dat het toetsingsinkomen niet is overschreden, is gebaseerd op de gedachte dat de van september tot en met december 2007 verdiende bedragen niet meetellen bij de berekening. Vast staat echter dat betrokkene in laatstgenoemde periode studiefinanciering in de vorm van een lening heeft genoten. In september en oktober 2007 is deze feitelijk ook uitbetaald, in november en december 2007 heeft betrokkene een zogeheten nullening genoten. Ook een nullening wordt voor de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000 beschouwd als studiefinanciering. De inkomsten over het gehele jaar 2007 zijn terecht bij de vaststelling van het toetsingsinkomen betrokken. Zou betrokkene de inkomsten uit de periode vanaf september 2007 buiten beschouwing hebben willen houden, dan zou hij zijn studiefinanciering hebben moeten stopzetten met ingang van die maand. 5.
  14. Met de studiefinanciering in de vorm van een lening wordt tevens het recht op de reisvoorziening behouden, ook als de lening niet wordt uitbetaald. De vordering wegens deze reisvoorziening is daarom eveneens terecht vastgesteld. Zou betrokkene dit deel van de vordering hebben willen voorkomen, dan zou hij zijn OV-studentenkaart tijdig hebben moeten inleveren. Dat, zoals betrokkene heeft gesteld, van de kaart geen gebruik is gemaakt sinds september 2007 is niet relevant, nu de vordering niet ontstaat door het gebruik van de kaart, maar reeds door het bezit ervan. 5.4.
  15. Betrokkene heeft tot slot nog gesteld dat de brief van 11 augustus 2007 waarin appellant hem heeft meegedeeld dat de studiefinanciering vanaf 1 september 2007 zou worden verstrekt in de vorm van een lening hem nimmer heeft bereikt. Ook heeft hij gesteld dat hij geen bedragen aan lening wenste te ontvangen. 5.4.
  16. Dat de brief niet zou zijn ontvangen - de toekenning van de lening was betrokkene ook meegedeeld bij bericht van 13 oktober 2006 -, maakt niet dat appellant geen vordering ten laste van betrokkene had mogen vaststellen. Uit de feitelijke gegevens kan immers worden afgeleid dat appellant in ieder geval in het najaar van 2007 op de hoogte is geraakt van het feit dat hij een lening ontving, nu hij die met ingang van november 2007 heeft omgezet in een nullening. Op dat moment had betrokkene zijn studiefinanciering, desgewenst met terugwerkende kracht, hebben kunnen stopzetten. Dat betrokkene zich de consequenties van het bijverdienen in combinatie met het ontvangen van de lening en het behouden van de OV-studentenkaart niet heeft gerealiseerd komt voor zijn risico. Zou het in deze periode beschikbare informatiemateriaal van appellant voor betrokkene op dit punt niet duidelijk zijn geweest, dan had het op zijn weg gelegen naar de consequenties te informeren. 5.
  17. Hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.4.2 betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.
  18. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - Vernietigt de aangevallen uitspraak; - Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober
  19. (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) G.J. van Gendt KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.