10/7114 Wsf Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 november 2010, 10/520 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister) Datum uitspraak: 5 oktober 2012 PROCESVERLOOP In dit geding wordt onder Minister tevens verstaan de Informatie Beheer Groep. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september
- Appellant is verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. OVERWEGINGEN
- Bij beslissing op bezwaar van 12 februari 2010 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar tegen zijn besluiten van 18 september 2009 en 25 september 2009 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het recht op studiefinanciering van appellant is geëindigd met ingang van 1 januari
- De laatst gevolgde studie van appellant is Nederlands recht en daarvoor bestaat gedurende 84 maanden recht op studiefinanciering. Voor de door appellant opgegeven studie Diergeneeskunde in Antwerpen bestaat gedurende 96 maanden recht op studiefinanciering. De teveel betaalde toelage moet appellant terugbetalen. Tevens is een OV-schuld ontstaan omdat appellant zijn OV-kaart niet tijdig heeft ingeleverd.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet betwist is dat appellant vanaf 1 januari 2009 geen recht meer heeft op studiefinanciering en dat hij dus teveel ontvangen toelage moet terugbetalen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet gebleken is dat de Minister onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt. Voor zover appellant tengevolge van medische omstandigheden zijn studie niet heeft kunnen afmaken had hij een voorziening tempobeurs kunnen vragen. Aangezien appellant zijn OV-kaart in 2009 niet heeft ingeleverd was de Minister verplicht een OV-schuld vast te stellen, tenzij appellant kan aantonen dat het niet (tijdig) inleveren van de kaart hem op geen enkele wijze kan worden toegerekend. Daarvan is in appellants geval geen sprake. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), de hardheidsclausule, geen mogelijkheid biedt tot afwijking van de in geding zijnde wettelijke bepaling.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wel betwist dat zijn studiefinanciering is geëindigd met ingang van 1 januari
- De Minister heeft hem wel degelijk onjuiste gegevens verstrekt. Appellant heeft zelf tijdig de studiewijziging doorgegeven. Ten slotte is hij van mening dat er redenen zijn om de hardheidsclausule toe te passen.
- De Raad stelt vast dat hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht in grote lijnen overeenkomt met hetgeen hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geconcludeerd dat zij niet slagen. Appellant heeft op grond van de artikelen 10.2 en 10.3 van de Wsf 2000 recht op 84 maanden studiefinanciering en die 84 maanden zijn opgebruikt op 1 januari
- Anders dan appellant heeft gesteld heeft zijn gemachtigde tijdens de zitting bij de rechtbank wel degelijk aangegeven dat het aantal maanden waarop recht bestaat op studiefinanciering alsmede het aantal maanden ontvangen studiefinanciering niet worden bestreden.
- Hangende het hoger beroep heeft de Minister aan appellant op zijn verzoek alsnog een voorziening prestatiebeurs toegekend, als gevolg waarvan zijn studiefinanciering heeft doorgelopen tot en met augustus
- Deze toekenning staat los van de onderhavige procedure en de Raad kan daarover niet oordelen. Evenmin kan de Raad oordelen over de met de terugvordering samenhangende kosten van de deurwaarder.
- Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober
- (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) G.J. van Gendt