12/663 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2011, 11/3734 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 oktober 2012 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus
- Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft bij brief van 12 januari 2010 het Uwv verzocht om hem alsnog in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering vanaf
- Hij heeft hierbij vermeld dat hij in 1981 is uitgevallen voor zijn werk als asfaltmenger in verband met rugklachten. Een WAO-aanvraag is uit onwetendheid achterwege gebleven. 1.
- Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het Uwv de aanvraag van appellant voor een WAO-uitkering afgewezen omdat het recht op een uitkering niet kan worden vastgesteld vanwege het ontbreken van de juiste gegevens. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 februari 2011 het door appellant ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar, strekkende tot handhaving van het besluit van 6 mei 2010, gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en het Uwv opgedragen binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar. 1.
- Appellant heeft op 1 augustus 2011 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op het bezwaar en de rechtbank verzocht om vast te stellen dat het Uwv een dwangsom is verschuldigd. 1.
- Vervolgens heeft het Uwv op 12 augustus 2011 een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen (bestreden besluit) waarbij wederom het bezwaar ongegrond is verklaard. 1.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar gegrond verklaard en dit (fictieve) besluit vernietigd. Voorts heeft zij overwogen dat het Uwv een dwangsom verschuldigd is vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Ten aanzien van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede betrekking heeft op het bestreden besluit. Zij heeft vervolgens overwogen dat de door appellant in de primaire besluitvorming overgelegde ontslagbrief onvoldoende is om de aanvraag van appellant te kunnen beoordelen. Ook de na de primaire besluitvorming overgelegde gegevens, waaraan in beginsel geen betekenis toekomt, gelet op de vaste rechtspraak van de Raad op dit punt (CRvB 16 augustus 2011, LJN BR5871), zijn niet voldoende om de aanvraag te kunnen beoordelen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit vervolgens ongegrond verklaard.
- Het hoger beroep van appellant is enkel gericht tegen de overwegingen van de aangevallen uitspraak die hebben geleid tot ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. Appellant heeft hiertoe aangevoerd dat hij in 1981 rugklachten had waardoor hij niet kon werken. Hij heeft daarna nooit meer gewerkt en ontving jarenlang een bijstandsuitkering. Hij is al dertig jaar bezig om de juiste uitkering te krijgen. Hij hoort niet bij de Sociale Dienst, hij vindt dat hij recht heeft op een WAO-uitkering. Ten onrechte is zijn aanvraag niet in behandeling genomen. Hij heeft de gevraagde stukken voor zover mogelijk ingediend, meer stukken heeft hij niet. Ten onrechte heeft er geen medisch onderzoek plaatsgevonden. 3.
- De Raad overweegt het volgende. 3.
- Terecht en op basis van een juiste motivering heeft de rechtbank geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was het besluit om de WAO-aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen, na bezwaar te handhaven. Uit de ter beschikking staande stukken blijkt dat appellant per 16 maart 1981 is ontslagen door [werkgever] omdat hij overcompleet was geworden. Verder blijkt uit de stukken dat appellant per 10 mei 1979 door de controlerend geneeskundige van de bedrijfsvereniging voor de bouwnijverheid geschikt is geacht tot het verrichten van zijn arbeid en bij attest van 14 oktober 1980 door de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst arbeidsgeschikt is verklaard op grond waarvan op de aanvraag voor bijstand afwijzend is beslist. Het Uwv heeft appellant gevraagd om medische gegevens vanaf 1981 en loongegevens over de periode van één jaar voor de eerste ziektedag in te zenden. De hierop door appellant ingezonden stukken bevatten onvoldoende informatie om een eerste ziektedag vast te kunnen stellen. Terecht heeft de rechtbank gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad, inhoudende dat het nadeel van de omstandigheid dat de medische situatie van appellant, vanwege het tijdsverloop tussen de eerste ziektedag en de aanvraagdatum, niet meer op verantwoorde wijze is vast te stellen in beginsel voor rekening en risico van appellant wordt gebracht. Verder heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid om de aanvraag niet in behandeling te nemen, gebruik heeft kunnen maken. 3.
- Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. 3.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober
- (getekend) M.C. Bruning (getekend) K.E. Haan