11/1154 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 januari 2011, 10/3775 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus
- Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W. de Rooij-Bal. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat voor haar met ingang van 22 september 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, daar zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. 1.
- Bij besluit van 25 februari 2009 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 26 augustus 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2.
- De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 2 december 2009, 09/2578, het tegen het besluit van 25 februari 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen met inachtneming van haar uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft de medische grondslag van het besluit van 25 februari 2009 als niet toereikend aangemerkt, omdat was nagelaten met betrekking tot zowel de psychische als de fysieke klachten van appellante (actuele) informatie in te winnen bij de behandelende sector. 2.
- Het Uwv heeft in de uitspraak van 2 december 2009 berust. De bezwaarverzekeringsarts heeft nadere informatie ingewonnen bij de huisarts van appellante. Hierna heeft het Uwv bij besluit van 21 april 2010 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2008 andermaal ongegrond verklaard. 3.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen geen aanleiding te zien om het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante door de verzekeringsarts lichamelijk is onderzocht, door de bezwaarverzekeringsarts lichamelijk en psychisch is onderzocht en de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 2 december 2009 informatie heeft ingewonnen bij de behandelende sector en nog telefonisch overleg heeft gehad met de huisarts van appellante. De rechtbank heeft de stelling van appellante dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen omdat zij niet (nogmaals) door de bezwaarverzekeringsarts is gezien verworpen, onder de overweging dat zij op 22 januari 2009 reeds door die arts was onderzocht. 3.
- Evenmin waren er volgens de rechtbank aanknopingspunten om het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist te achten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts het gerechtvaardigd en geobjectiveerd heeft geacht om enige matige tot lich-te beperkingen ten aanzien van kniebelastende arbeid en persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen. 3.
- Voorts heeft de rechtbank in haar oordeelsvorming betrokken dat de bezwaarverzekeringsarts bij onderzoek van appellante geen psychopathologie heeft waargenomen, heeft geconstateerd dat sprake is van een ongestoorde nek- en rugbeweeglijk-heid, geen tekenen van hypertonie in nek en schouder heeft vastgesteld en in de armen, polsen en handen geen gevoelsstoornissen of verminderde kracht heeft waargenomen, waarna de bezwaarverzekeringsarts de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft aangepast aan de FML van 2004 wat betreft de items werken met toetsenbord en muis, schroefbewegingen met hand en arm en staan. De nader ingekomen informatie van de huisarts heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven tot een gewijzigd inzicht te komen. 3.
- Appellante heeft voorts geen medische informatie in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. Mede in verband hiermee heeft de rechtbank het inwinnen van een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk geacht. 3.
- Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de belastbaarheid van de bij de schatting gebruikte functies past binnen de opgestelde (aangepaste) FML. Voor zover sprake is van zogenoemde signaleringen, is naar het oordeel van de rechtbank in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding.
- In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat de beperkingen die uit haar lichamelijke en psychische klachten voortvloeien onvoldoende zijn onderkend. Zij lijdt aan fibromyalgie en ervaart als gevolg daarvan diverse klachten en beperkingen. Haar medische situatie is verergerd, welke verergering ook reeds aan de orde was op de datum in geding. Appellante heeft te kennen gegeven voornemens te zijn hieromtrent nog stukken in het geding te brengen. Appellante meent voorts dat een deskundige zou dienen te worden benoemd voor het instellen van een medisch onderzoek. Appellante acht het onzorgvuldig dat zij niet meer is gezien door een (bezwaar)verzekeringsarts. Doordat haar beperkingen onvoldoende zijn erkend, acht appellante zich niet in staat tot het vervullen van de geduide functies. 5.
- De Raad stelt vast dat hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht in essentie een herhaling is van wat zij eerder in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank, als vervat in de aangevallen uitspraak, zowel met betrekking tot de zorgvuldigheid en de juistheid van het oordeel waartoe de verzekeringsartsen van het Uwv zijn gekomen als wat betreft de passendheid voor appellante van de bij de schatting in aanmerking genomen functies. Appellante heeft de in het vooruitzicht gestelde nadere medische onderbouwing van haar stellingen niet geproduceerd. Mede in het licht hiervan ziet ook de Raad geen aanleiding om appellante nog te doen onderzoeken door een onafhankelijk medisch deskundige. 5.
- De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober
- (getekend) J.W. Schuttel (getekend) I.J. Penning