← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9562

10/4697 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2010, 10/2836 en 10/2503 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. K.J. Korteweg, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus

  1. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant ontvangt sinds 23 januari 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een aanvraag voor bijzondere bijstand heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) onderzoek verricht naar kasstortingen op de bankrekening van appellant. Op verzoek van de DWI heeft appellant bankafschriften over de periode van 1 januari 2009 tot en met 19 augustus 2009 overgelegd. Tijdens het onderzoek is tevens geconstateerd dat appellant vanaf 8 september 2009 een Chrysler Voyager (auto) op zijn naam geregistreerd had staan. De dagwaarde van deze auto bedroeg op 16 september 2009 € 9.750,--. Op 18 januari 2010 en 3 februari 2010 heeft de DWI met appellant gesproken. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 17 februari
  4. 1.
  5. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 17 februari 2010 de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2009 in te trekken. 1.
  6. Bij besluit van 11 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard. De bijstand wordt over de periode van 1 februari 2009 tot en met 31 augustus 2009 ingetrokken, omdat het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij voor de herkomst van de kasstortingen geen afdoende en aan de hand van bewijsstukken verifieerbare verklaring heeft gegeven. De bijstand wordt met ingang van 8 september 2009 ingetrokken, omdat appellant vanaf die datum een auto op zijn naam had staan waarvan de waarde de grens van het vrij te laten vermogen met een bedrag van € 4.295,-- overschreed. Om die reden heeft appellant vanaf die datum geen recht op bijstand.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de periode van 8 februari 2010 tot 17 februari 2010 betreft en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in zoverre in stand blijven. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat appellant de auto op 8 februari 2010 heeft verkocht en hij, door geen melding te maken van de opbrengst van de auto, de inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat het college bevoegd was om de bijstand in te trekken.
  8. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. De DWI wist of had moeten weten van de kasstortingen in de vorm van leningen, omdat de DWI bij de afwijzing van de aanvraag van appellant voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten van zijn nieuwe huis had voorgesteld hiervoor geld te lenen. Het gebruik en de kosten van de auto deelt appellant met zijn zwager. De auto kan dan ook slechts voor de helft tot het vermogen van appellant worden gerekend.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Kasstortingen 4.
  11. Vaststaat dat op de bankrekening van appellant met nummer 1018.79.288 in de maanden februari 2009 tot en met augustus 2009 kasstortingen zijn verricht, variërend van € 500,-- tot € 2.000,--, tot een bedrag van in totaal € 8.300,--. Appellant heeft deze bedragen niet bestreden. 4.
  12. Appellant heeft op 18 januari 2010 over de kasstortingen verklaard dat het geld betreft dat hij van zijn broer, zwager en (andere) familie heeft geleend. Het geld moet hij uiteindelijk terugbetalen, maar hierover zijn geen afspraken gemaakt. Op 3 februari 2010 heeft appellant verklaard geen bewijsstukken te hebben met betrekking tot de kasstortingen. Hij krijgt het geld, omdat hij het niet redt met de uitkering. Bij brief van 10 mei 2010 heeft de zwager van appellant, [naam zwager] ([naam zwager]), verklaard appellant in 2009 € 8.000,-- te hebben geleend. Hij heeft dit gedaan, zodat appellant zijn in Groningen wonende kinderen kon ophalen en brengen en zijn rekeningen kon betalen. Appellant moet € 100,-- per maand terugbetalen. 4.
  13. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kasstortingen zijn verricht op basis van een afgesloten geldlening. De beroepsgrond dat hij na de afwijzing van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor de inrichtingskosten van zijn huis op instigatie van de DWI een lening is aangegaan voor deze kosten slaagt niet, reeds omdat alle kasstortingen zijn verricht voorafgaand aan het besluit van 12 oktober 2009 waarbij het college de aanvraag voor bijzondere bijstand heeft afgewezen. Appellant heeft verklaard dat er geen afspraken zijn gemaakt over de terugbetaling van de lening. Daarentegen heeft [naam zwager] verklaard dat appellant € 100,-- per maand moet terugbetalen, maar deze verklaring is niet onderbouwd met concrete en verifieerbare stukken waaruit van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting blijkt. Verder is geen enkel bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat [naam zwager] daadwerkelijk de bedragen aan appellant heeft verstrekt die overeenkomen met de kasstortingen. Bovendien heeft appellant verklaard dat hij niet alleen geld van [naam zwager] heeft geleend, maar ook van zijn broer en andere familie. Dit betekent dat niet alleen onduidelijkheid bestaat over de vraag of de kasstortingen daadwerkelijk gelden betreffen die afkomstig zijn van [naam zwager], maar ook of [naam zwager] de enige bron van de kasstortingen is geweest. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat het om substantiële bedragen gaat gedurende een betrekkelijk korte periode, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de periode van 1 februari 2009 tot en met 31 augustus
  14. Auto 4.
  15. Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. 4.
  16. Appellant heeft op 18 januari 2010 verklaard dat hij de auto heeft gekregen van zijn broer en [naam zwager]. De verzekering en de wegenbelasting betaalt hij samen met [naam zwager], ieder voor de helft. [naam zwager] geeft de bedragen contant. [naam zwager] en de broer van appellant betalen de benzinekosten volledig. [naam zwager] heeft in de onder 4.3 genoemde brief verklaard dat appellant problemen had om zijn kinderen op te halen en dat hij om die reden besloten had een auto voor hem te kopen. De kosten van verzekering en belasting hebben zij gesplitst. Vervolgens heeft [naam zwager] bij brief van 16 september 2010 verklaard dat de auto van hem was en dat appellant deze in bruikleen kreeg en op zijn naam mocht zetten. De auto is op 8 februari 2010 verkocht voor € 2.500,-- en dit bedrag heeft appellant contant aan [naam zwager] gegeven. 4.
  17. Appellant heeft zijn verklaring niet aan de hand van concrete en verifieerbare informatie onderbouwd. De verklaringen van [naam zwager] zijn daartoe onvoldoende. Appellant is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de auto in de periode van 8 september 2009 tot 8 februari 2010 geen bestanddeel heeft gevormd van het vermogen waarover hij heeft beschikt of redelijkerwijs kon beschikken. Evenmin heeft appellant aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt tegen welke prijs de auto op 8 februari 2010 is verkocht. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant in de periode van 8 september 2009 tot en met 8 februari 2010 geen recht op bijstand had, omdat zijn vermogen het voor hem vrij te laten vermogen overschreed. Voor de periode van 8 februari 2010 tot 17 februari 2010 heeft appellant, door geen melding te maken van de opbrengst van de verkoop van de auto, zijn inlichtingenverplichting geschonden, zodat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten. 4.
  18. Uit wat is overwogen onder 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
  19. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober
  20. (getekend) R.H.M. Roelofs De griffier is buiten staat te tekenen HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.