11/3054 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 april 2011, 10/2684 WWB (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Commissie Sociale Zekerheid (commissie) Datum uitspraak 9 oktober
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat, hoger beroep ingesteld. De commissie heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus
- Voor appellant is verschenen mr. Gulickx. De commissie heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Jacobs. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant heeft, voor zover van belang, een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de eigen bijdrage van € 98,-- in de kosten van rechtsbijstand (advocaatkosten). Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij een nota van 18 februari 2010 van Advocatenkantoor Alliantie overgelegd. Bij besluit van 10 maart 2010, voor zover van belang, heeft de commissie de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant deze kosten kan voldoen uit zijn draagkracht welke tot 19 februari 2010 € 4.030,04 bedroeg. 1.
- Bij besluit van 21 juni 2010 (bestreden besluit) heeft de commissie het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2010 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB - voor zover van belang - heeft, onverminderd paragraaf 2.2 de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dat meer is dan de bijstandsnorm. 4.
- Gelet op het gestelde ter zitting is tussen partijen uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag wanneer de kosten, waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd, zijn gemaakt. Appellant stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van de datum waarop hij de nota van het advocatenkantoor heeft ontvangen, zijnde 19 februari
- 4.
- De Raad stelt vast dat, gelet op de datum van de nota van het advocatenkantoor, de aanvraag om bijzondere bijstand betrekking heeft op kosten die zijn gemaakt vóór 19 februari
- In deze acht de Raad, onder verwijzing naar vaste rechtspraak, CRvB 15 mei 2007, LJN BA6875, bepalend het tijdstip waarop de kosten zijn opgekomen en niet het tijdstip waarop de rekening van deze kosten door appellant wordt ontvangen. De Raad ziet in hetgeen door appellant naar voren is gebracht geen aanleiding van deze rechtspraak terug te komen. 4.
- Uitgaande van de in dit geding niet aangevochten draagkracht zoals weergegeven in het besluit van 10 maart 2010, heeft de commissie de aanvraag om bijzondere bijstand terecht afgewezen. 4.
- De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober
- (getekend) A.B.J. van der Ham (getekend) N.M. van Gorkum HD