11/465 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 december 2010, 10/1876 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen (college) Datum uitspraak 2 oktober
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus
- Voor appellante is verschenen mr. Van den Heuvel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Roodhorst. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante, geboren [in] 1964, ontvangt met haar echtgenoot sinds 1 november 1994 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante was met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB ontheven van de arbeidsverplichtingen in verband met de zorgplicht voor haar echtgenoot en haar gehandicapte dochter [D.]. 1.
- Na ingewonnen medisch en arbeidsdeskundig advies van WOSM van respectievelijk 17 april 2009 en van 5 mei 2009, heeft het college aan appellante bij besluit van 24 juli 2009 meegedeeld dat haar de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB worden opgelegd. Het college heeft daarbij voorts meegedeeld dat appellante, rekening houdend met haar beperkingen en haar gezinssituatie, voor (maximaal) twintig uur per week (vier uur per dag) belastbaar is en zich beschikbaar dient te stellen voor werk. 1.
- Bij besluit van 27 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft appellante voor 28 uur per week vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a en b, van de WWB, en besloten dat de verplichting tot arbeidsinschakeling voor 12 uur per week ingaat per 15 maart
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante is van mening dat haar volledig ontheffing van de arbeidsverplichting had moeten worden verleend. Er is bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellante onvoldoende rekening gehouden met de zorgtaken voor haar echtgenoot en haar dochter [D.], die het syndroom van Down heeft. Daarbij heeft de jongste zoon [B.], die geboren is [in] 2003, leer- en spraakproblemen. Haar echtgenoot kan vanwege ernstige psychische problemen geen zorgtaken op zich nemen. Omdat geen sprake is van het opleggen van een plicht tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de voorwaarden als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de WWB, pas aan de orde zijn op het moment dat sprake is van een aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Het tweede lid van artikel 9 van de WWB biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het vierde lid bepaalt dat de verplichting om algemene geaccepteerde arbeid te aanvaarden geldt voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van betrokkene. 4.
- Anders dan appellante aanvoert, heeft het college bij het bestreden besluit dringende redenen aanwezig geacht om appellante gedeeltelijk ontheffing te verlenen van de verplichting tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de WWB. 4.
- De stelling van appellante dat bij de vaststelling van haar belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met haar zorgtaken en dat zij niet belastbaar is, treft geen doel. Uit het rapport van WOSM blijkt dat de arts zich rekenschap heeft gegeven van het feit dat [D.] vanwege haar handicap de nodige aandacht en zorg behoeft en dat die, vanwege de psychische problemen van haar echtgenoot, grotendeels op appellante neerkomen. Deze arts heeft aan de hand van de bevindingen tijdens het onderzoek van appellante haar mogelijkheden en beperkingen vastgesteld en neergelegd in een functionele mogelijkhedenlijst. Appellante heeft medisch gezien enkele lichamelijke beperkingen vanwege haar rugklachten, maar er is geen reden om volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Vanwege de belastende thuissituatie van appellante adviseert de arts de re-integratie van appellante te maximeren op 20 uur per week (vier uur per dag). Het uitgebrachte rapport geeft blijk van zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Bovendien is in de bezwaarfase desgevraagd door de arts van WOSM nog een nadere verduidelijking verschaft omtrent de extra zorgtaken van appellante en de invloed daarvan op haar arbeidsmogelijkheden. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad, anders dan ter zitting is betoogd, niet in dat het college in bezwaar opnieuw medisch onderzoek had moeten laten verrichten. Appellante heeft ook geen medische of andere gegevens overgelegd die twijfel doen ontstaan over de juistheid van het advies dan wel de zorgvuldigheid waarmee dat advies tot stand is gekomen. 4.
- Het betoog van appellante erop neerkomende dat het college de persoonlijke omstandigheden van appellante niet zorgvuldig genoeg heeft afgewogen, en ten onrechte heeft nagelaten te bezien of passende kinderopvang beschikbaar is voor [B.], slaagt evenmin. Het college heeft appellante, hoewel zij geen alleenstaande ouder is in de zin van de WWB, wat betreft het aspect van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling feitelijk gelijkgesteld met een alleenstaande ouder, omdat de echtgenoot van appellante niet voldoende in staat is de zorg voor hun kinderen op zich te nemen. Om die reden heeft het college op de voet van het vierde lid van artikel 9 van de WWB onder meer bezien of er, als dat nodig is, voor [B.] kinderopvang beschikbaar is. Het college heeft vastgesteld dat er bij diverse kinderopvanginstellingen in Waddinxveen geen wachtlijst is. Wanneer het traject van start gaat zal zowel de plaatsing als de tegemoetkoming in de kosten van de opvang door het college worden geregeld. De Raad gaat voorbij aan de eerst ter zitting naar voren gebrachte en verder niet onderbouwde stelling dat [B.] verstandelijk gehandicapt is en om die reden gespecialiseerde opvang nodig heeft. Voor de echtgenoot van appellante en voor [D.], die evenals [B.] naar school gaat, wordt de zorg gedeeltelijk gecompenseerd door een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget. Om appellante de gelegenheid te geven haar huishouden en de verzorging van haar kinderen zodanig in te richten dat zij zich 12 uur per week kan richten op haar arbeidsinschakeling, heeft het college voorts de plicht tot arbeidsinschakeling eerst laten ingaan per 15 maart
- Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het college bij de opgelegde arbeidsverplichting van 12 uur per week (2,5 uur per dag) de persoonlijke omstandigheden van appellante onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld, of dat het college geen juiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 9, vierde lid, van de WWB. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober
- (getekend) R.H.M. Roelofs De griffier is buiten staat te tekenen HD