11/165 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 2 december 2010, 10/584 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 5 oktober
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.M.J.T. Schumans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 23 augustus 2012 zijn van de zijde van appellant medische stukken ingezonden, waaronder een medisch journaal vanaf 2010 alsmede een brief van 13 augustus 2008 van de huisarts en een rapport van medisch adviseur L. Sevinc van 21 juni
- Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd met een bij brief van 31 augustus 2012 ingezonden rapportage van bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van dezelfde datum. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schumans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, laatstelijk werkzaam als corveeër/chauffeur, is op 16 april 2008 uitgevallen met rugklachten. 1.
- In het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op 1 maart 2010 onderzocht door de verzekeringsarts. Na lichamelijk en psychisch onderzoek heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 10 maart 2010 geconcludeerd tot het aannemen van beperkingen in de aanpassing aan fysieke omgevingseisen, in dynamische handelingen en statische houdingen en heeft hij zijn bevindingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van eveneens 10 maart
- Vervolgens heeft het Uwv na arbeidskundig onderzoek bij besluit van 24 maart 2010 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 14 april 2010 geen recht was ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. 1.
- In bezwaar heeft appellant gesteld dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de functies te belastend zijn. 1.
- De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 22 juni 2010 aangegeven dat zij zich kan verenigen met de voor appellant door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid ten aanzien van de rugklachten. In verband met de door appellant gebruikte medicatie, heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de FML bijgesteld dient te worden ten aanzien van het persoonlijk risico. Aansluitend heeft de bezwaararbeidsdeskundige enkele van de voorgehouden functies laten vervallen en vastgesteld dat de mate van de arbeidsongeschiktheid beneden de 35% blijft. Bij besluit op bezwaar van 9 juli 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, ingesteld tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek onvoldoende deugdelijk is omdat hij was doorverwezen naar een specialist. Hierdoor geeft de FML niet de juiste mogelijkheden van appellant weer. Appellant verwijst naar de in hoger beroep overgelegde gegevens van de huisarts. Verder is appellant van mening dat ten onrechte geen urenbeperking is opgenomen in de FML. Hij verwijst daartoe naar een rapport van 11 maart 2009 van verzekeringsarts G.M. van den Heijkant, waarin deze, evenals de bedrijfsarts De Roover, van mening is dat appellant geschikt is voor lichte werkzaamheden voor 20 uur per week. Tevens wijst appellant op een in hoger beroep overgelegd rapport van 21 juni 2011 van medisch adviseur Sevinc die aangeeft dat appellant tijdelijk slechts voor 4 uur per dag en 20 uur per week belastbaar is. Daarnaast verwijst appellant ter ondersteuning van zijn standpunt naar de in hoger beroep overgelegde medische stukken. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant nog naar voren gebracht dat het Uwv de resultaten van het specialistenonderzoek had moeten afwachten alvorens een beslissing op het bezwaar te nemen. Voorts heeft appellant betoogd dat geen van de aan het besluit van 9 juli 2010 ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend voor hem zijn.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Terecht en op basis van een juiste motivering heeft de rechtbank geconcludeerd dat zorgvuldig medisch onderzoek is verricht door de verzekeringsartsen en dat er op grond van de beschikbare gegevens niet is gebleken dat de medische beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. 4.
- De grond dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is door niet het resultaat af te wachten van het op de hoorzitting aangekondigde onderzoek, treft geen doel. De enkele mededeling van appellant op de hoorzitting dat hij is doorverwezen voor nader onderzoek, brengt in het licht van de overige beschikbare medische stukken en uitkomsten van de onderzoeken door de (bezwaar)verzekeringsartsen, niet met zich dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is te achten. Daarnaast is in hoger beroep, uit het overgelegde huisartsenjournaal gebleken dat in dit nader (reumatologisch) onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor reumatisch lijden. 4.
- De Raad is van oordeel dat de medische grondslag van de schatting, gelet op de beschikbare medische stukken en hetgeen appellant heeft aangevoerd, juist is. Met de beperkingen van appellant is in voldoende mate rekening gehouden in de FML van 22 juni
- De verzekeringsarts heeft informatie van de huisarts opgevraagd. Daarnaast had de verzekeringsarts de beschikking over de conclusies van de orthopeed en neuroloog die beiden bij appellant geen afwijkingen hebben gevonden. Tevens was informatie van Spine&Joint Center bij de verzekeringsarts bekend. Op basis van deze informatie en na lichamelijk en psychisch onderzoek is de verzekeringsarts tot vastgestelde beperkingen gekomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML aangescherpt vanwege het medicijngebruik. De op basis daarvan door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusies zijn inzichtelijk en begrijpelijk. Ter zake van de urenbeperking kan aan het rapport van 11 maart 2009 van verzekeringsarts Van den Heijkant in het kader van onderhavige WIA-beoordeling niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Dit rapport is opgemaakt vanwege een verzoek om een Deskundigenoordeel in verband met door de voormalige werkgever aangeboden passende arbeid gedurende 20 uur per week. Dat is een geheel ander beoordelingskader dan het onderhavige en brengt niet met zich dat hieruit geconcludeerd moet worden dat voor appellant een urenbeperking geïndiceerd is. Ook het beroep op het rapport van 21 juni 2011 van medisch adviseur Sevinc slaagt in dat verband niet. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 31 augustus 2012 inzichtelijk aangegeven dat het rapport, naast het feit het niet is onderbouwd met medische argumenten, zich tevens niet richt op de datum in geding. Tevens heeft zij in dit rapport gemotiveerd aangegeven dat de door appellant in hoger beroep nader toegezonden medische stukken evenmin aanleiding geven om een ander standpunt in te nemen. 4.
- Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellant is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellant geduide functies. De beroepsgrond dat geen van de functies geschikt is slaagt niet, omdat het Uwv met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 juli 2010, waaruit tevens naar voren komt dat door hem overleg is gepleegd met de bezwaarverzekeringsarts op de signaleringen in de functies, uitvoerig en voldoende overtuigend de passendheid van deze functies heeft gemotiveerd. Van niet of onvoldoende gemotiveerde overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant dan wel ontoelaatbare relativering daarvan is niet gebleken.
- Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober
- (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) D.E.P.M. Bary KR