← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9912

10/4923 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2010, 07/4020 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 5 oktober

  1. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingebracht, waaronder een expertiserapport van psychiater G.A. de Boer van 8 juni 2011 en een medisch rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 augustus
  2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus
  3. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. De Raad heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en een deskundige in te schakelen. De door de Raad als deskundige benoemde psychiater G.T. Gerssen heeft op 1 maart 2012 gerapporteerd. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden. De deskundige heeft bij brief van 28 april 2012 gereageerd op de door de Raad aan hem voorgelegde zienswijze van appellant. Partijen hebben (desgevraagd) nadere stukken overgelegd, waaronder een (namens appellant ingezonden) brief van psychiater De Boer van 8 juni
  4. Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 24 augustus
  5. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij. OVERWEGINGEN 1.
  6. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende. 1.
  7. Bij besluit van 13 december 2006 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 3 januari 2007 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. 1.
  8. Bij besluit van 6 september 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op het bezwaar van appellant, zijn besluit van 13 december 2006 gehandhaafd. 2.
  9. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 2.
  10. De rechtbank heeft overwogen dat de door haar ingeschakelde deskundige, psychiater J. Rübsaam, met zijn rapport van 18 oktober 2009 een deugdelijk en consistent rapport heeft uitgebracht. In dit rapport heeft de deskundige de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 september 2007 onderschreven. Met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank gemotiveerd uiteengezet waarom haar niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding hebben gegeven om van het oordeel van de deskundige af te wijken. 2.
  11. Wat betreft de voor de schatting in aanmerking genomen functies heeft de rechtbank overwogen dat haar niet is gebleken dat de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 september 2007, waarin de passendheid van de functies is toegelicht, onzorgvuldig tot stand is gekomen of ondeugdelijk is gemotiveerd.
  12. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter zitting van 24 augustus 2012 heeft appellant verklaard dat het hem met name gaat om de in de FML van 5 september 2007 neergelegde beperkingen op de belastbaarheidsaspecten 2.9 (Samenwerken) en 2.12.4 (Werk waarin meestal geen direct contact met collega’s vereist is). Hierop acht appellant zich verder beperkt dan thans door het Uwv is aangenomen. De hem voorgehouden functies zijn dan ook niet passend.
  13. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  14. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. 4.2.
  15. De door de Raad benoemde deskundige heeft appellant op 26 januari 2012 onderzocht. De deskundige heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en vooral een persoonlijkheidsstoornis nao. Volgens de deskundige voldoet appellant, zoals psychiater Rübsaam concludeerde, niet aan de diagnostische omschrijving van een posttraumatische stressstoornis. De deskundige heeft zich op basis van zijn onderzoek geheel kunnen verenigen met de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals is neergelegd in de FML van 5 september
  16. 4.2.
  17. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, waarbij alle voorhanden zijnde medische gegevens zijn betrokken, en is voorts inzichtelijk en consistent. 4.2.
  18. De brief van 8 juni 2012 van psychiater De Boer heeft de Raad niet tot twijfel gebracht. Hierin heeft De Boer – in aanvulling zijn rapport van 8 juni 2011 – gesteld dat, zo begrijpt de Raad, ook op de belastbaarheidsaspecten 2.9 en 2.12.4 een (zwaardere) beperking moet worden aangenomen. De Boer heeft hierbij gewezen op zijn antwoord op vraag B.2, opgenomen in paragraaf VIII onder de kop ‘Beantwoording van de vragen’ in dat rapport en luidende: “Wat betreft het sociaal functioneren in arbeid wordt verwacht dat betr. beter kan werken in een functie waarin hij grotendeels alleen werkt, zonder leidinggevende taken en zonder al teveel klantencontact”. Nu appellant reeds beperkt wordt geacht voor samenwerken en hij voorts is aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat evenals werk waarin meestal weinig of geen direct contact met patiënten of hulpbehoevenden is vereist, ziet de Raad, anders dan appellant, geen aanknopingspunten tot (verdere) aanscherping van de FML op evengenoemde belastbaarheidsaspecten. 4.2.
  19. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige niet te volgen. 4.2.
  20. De Raad komt, gelet op de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3, niet tot een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank. 4.3.
  21. Blijkens de FML van 5 september 2007 kan appellant met anderen werken, maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. De Raad stelt vast dat in twee van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies sprake is van een afgebakende deeltaak. Echter, in de functie medewerker binderij (SBC-code 268030) is voor het uitvoeren van de taak noodzakelijk dat in interactie met anderen een gezamenlijke bijdrage wordt geleverd. Gebleken is dat door de arbeidsdeskundige noch door de bezwaararbeidsdeskundige is gemotiveerd waarom appellant hiertoe, gezien de in de FML van 5 september 2007 opgenomen beperking op het aspect 2.9.1 (Samenwerken), in staat wordt geacht. 4.3.
  22. Door de bezwaararbeidsdeskundige zijn evenwel reservefuncties geduid. De Raad stelt op basis van het Resultaat functiebeoordeling vast dat bij het uitvoeren van de reservefunctie productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) geen sprake is van samenwerken. Ook overigens acht de Raad de passendheid van deze functie voldoende toegelicht. Indien deze functie in de plaats van de functie medewerker binderij aan de schatting ten grondslag wordt gelegd, is het loonverlies 33,57% en blijft de mate van arbeidsongeschiktheid derhalve ook onder de 35%. 4.
  23. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  24. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober
  25. (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) M. Schuurman KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.