11/1240 WWB, 11/1241 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2011, 10/4017 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak 9 oktober
- PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus
- Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Bij besluit van 19 februari 2010 heeft het college ten aanzien van appellanten een besluit genomen met toepassing van artikel 35 van de Wet werk en bijstand. 1.
- Tegen het besluit van 19 februari 2010 hebben appellanten bezwaar gemaakt. Zij hebben aangevoerd, voor zover van belang, dat zij aanspraak maken op reiskostenvergoeding voor het vervoer van en naar de locatie waar hun kind wordt opgevangen. 1.
- Bij besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2010 deels gegrond, deels niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft onder meer geoordeeld dat het besluit van 19 februari 2010 niet gaat over reiskostenvergoeding voor vervoer van en naar de locatie van de kinderopvang.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat ter zitting is gebleken dat de aanvraag met betrekking tot een reiskostenvergoeding in de onderhavige zaak niet aan de orde is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen de hoogte van de bijzondere bijstand niet-ontvankelijk is verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven.
- Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen over de reiskostenvergoeding
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De rechtbank heeft de zaak op 23 december 2010 ter zitting behandeld. In het proces-verbaal van de zitting is vermeld dat gemachtigde van appellanten desgevraagd heeft verklaard dat de reiskosten niets met deze zaak te maken hebben. De Raad ziet geen aanleiding dat de verklaring van de gemachtigde van appellanten in het proces-verbaal niet juist is weergegeven. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat ter zitting is gebleken dat de aanvraag met betrekking tot een reiskostenvergoeding in de onderhavige zaak niet aan de orde is. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen over de reiskostenvergoeding treft dan ook geen doel. 4.
- Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober
- (getekend) J.J.A. Kooijman (getekend) J.T.P. Pot HD