← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY0133

11/2253 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 3 maart 2011, 10/512 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 12 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus

  1. Voor appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. OVERWEGINGEN
  2. Appellant, geboren [geboortedatum], heeft op 14 december 2009 bij het Uwv een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals deze luidde tot 1 januari 2010, aangevraagd.
  3. Bij beslissing op bezwaar van 16 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit gehandhaafd om aan appellant geen Wajong-uitkering toe te kennen. Het bestreden besluit rust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat voor de toepassing van de Wajong niet beslissend is of appellant op de dag waarop hij 17 jaar werd aan een ontwikkelingsstoornis leed of daarvan symptomen vertoonde, maar of hij op die datum zodanige beperkingen had dat hij niet in staat was om arbeid te verrichten dan wel niet in staat was om 75% van het voor hem geldende minimumloon te verdienen. Anders dan appellant heeft gesteld brengt het enkele feit dat bij hem een dergelijke stoornis is vastgesteld, niet met zich dat hij al in 2004 arbeidsongeschikt was in de zin van de Wajong. Ook de praktijk heeft anders uitgewezen. Dat, zoals appellant stelt, hij de banen die hij na zijn 17-jarige leeftijd had door zijn stoornis niet kon volhouden, is niet nader met medische stukken onderbouwd. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze stoornis duurzaam tot verdergaande beperkingen en arbeidsparticipatieproblemen heeft geleid. De eerste aantoonbare periode van daadwerkelijk disfunctioneren van appellant is volgens de rechtbank begonnen in
  5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden vastgesteld dat appellant op de leeftijd van 17 en 18 jaar - uitgaande van de toen bij hem bestaande beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) - in staat moet zijn geweest met het vervullen van voor hem als passend geduide functies het minimumloon te verdienen. De in beroep ingediende stukken roepen geen twijfel op aan de juistheid van de FML. De omstandigheid dat aan appellant per oktober 2008 een WIA-uitkering is toegekend, kan evenmin tot het oordeel leiden dat hem ten onrechte een Wajong-uitkering is geweigerd.
  6. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. Hij heeft daartoe naar voren gebracht, onder verwijzing naar het gestelde in het schrijven van C.H. Haar, psychiater i.o., van 11 mei 2010, dat hij ten gevolge van zijn chronische psychiatrische stoornis reeds op 17-jarige leeftijd ernstige beperkingen ondervond en dat ten onrechte is gesteld dat eerst in 2008 de gevolgen van zijn stoornis in volle omvang tot uiting zijn gekomen. Appellant heeft, onder verwijzing naar zijn arbeidsverleden, gesteld dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de geduide functies voor hem geschikt zijn.
  7. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 5.
  8. De Raad heeft geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank en stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische gegevens naar voren gebracht. Ook de Raad is uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet gebleken dat het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen de klachten van appellant heeft onderschat dan wel hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden. Hierbij heeft de Raad betrokken dat de bezwaarverzekeringsarts ook het gestelde in het schrijven van Haar van 11 mei 2010, betrokken heeft bij de advisering. 5.
  9. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid heeft de Raad evenmin redenen om aan te nemen dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem niet geschikt zijn. De niet met medische gegevens onderbouwde verwijzing door appellant naar zijn arbeidsverleden is hiervoor onvoldoende. 5.
  10. Gelet op de overwegingen 5.1 en 5.2 slaagt het hoger beroep niet. Voor het toewijzen van schadevergoeding is gelet op deze uitkomst geen plaats. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober
  12. (getekend) T. Hoogenboom (getekend) J.R. Baas

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.