11/638 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2010, 10/1188 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli
- Appellante, noch het Uwv zijn verschenen. OVERWEGINGEN 1.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 30 maart
- Bij dit besluit heeft het Uwv - beslissend op bezwaar - gehandhaafd zijn besluit van 30 september 2009 waarbij is vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 17 juli 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). 1.
- De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek tot een volledig en juist beeld heeft geleid van de medische situatie van appellante en de daaruit voor haar voortvloeiende beperkingen en mogelijkheden tot het verrichten van werkzaamheden. De rechtbank heeft erop gewezen dat de psychische klachten van appellante wel degelijk in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn betrokken en dat daarbij tevens acht is geslagen op de informatie van de behandelend psychiater van 16 februari 2010 door de bezwaarverzekeringsarts. Hierbij heeft de rechtbank gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad dat een verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel mag varen als het gaat om het vaststellen van beperkingen. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van inpakker, samensteller kunststof en productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie geen belastingen bevatten die de mogelijkheden van appellante te boven gaan.
- In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak bestreden en haar gronden beperkt tot de medische grondslag. Naar de mening van appellante is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het besluit van 30 maart 2010 ten grondslag ligt op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dat de medische situatie van appellante niet onjuist is ingeschat en dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn. Zij heeft ter onderbouwing nogmaals gewezen op de brief van haar behandelend psychiater van 16 februari
- 3.
- Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt slechts een herhaling van de gronden van het beroep. De Raad heeft hierin geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien tot twijfel aan de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. 3.
- Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. 3.
- Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.C.W. Lange en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober
- (getekend) J.W. Schuttel (getekend) G.J. van Gendt KR