10/5724 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 september 2010, 09/841 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (bestuurscommissie) Datum uitspraak 16 oktober
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.J.J. Fraanje (advocaat) hoger beroep ingesteld. De bestuurscommissie heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Appellante heeft een nader stuk ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 juli
- Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante ontving sinds 2 mei 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 15%. 1.
- Bij besluit van 12 maart 2008 heeft de bestuurscommissie de bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2008 verlaagd met 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand op de grond dat appellante niet of niet tijdig is verschenen op een oproep in verband met de inschakeling in de arbeid. 1.
- Appellante is op 22 oktober 2008 aangemeld voor een verloningstraject bij Werkcenter BIG Barneveld te Papendrecht (Werkcenter). Het betreft een re-integratietraject waarbij appellante gedurende de looptijd van het traject in dienst komt van het Werkcenter en daarvoor voldoende loon ontvangt om uitkeringsonafhankelijk te worden. De loonkosten worden daarbij door de Sociale Dienst Drechtsteden gesubsidieerd. Het doel van het verloningstraject is dat dit leidt tot duurzame uitstroom naar reguliere, ongesubsidieerde arbeid. 1.
- Bij besluit van 20 november 2008 heeft de bestuurscommissie de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2008 verlaagd met 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand op de grond dat appellante het vinden van algemeen geaccepteerd werk heeft belemmerd door zich te misdragen bij het Werkcenter en sprake is van recidive van een verwijtbare gedraging in verband met de arbeidsinschakeling. 1.
- Bij uitspraak van 7 januari 2009, 08/1419, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht (voorzieningenrechter), voor zover in dit geding van belang, geoordeeld dat appellante, gelet op de gang van zaken rond de afspraken met het Werkcenter op 29 oktober 2008, 3 november 2008 en 5 november 2008, zich verwijtbaar heeft gedragen in het kader van haar arbeidsinschakeling. De voorzieningenrechter heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Verwijtbaar wordt geacht dat appellante eerst tijdens de afspraak op 29 oktober 2008 heeft gemeld geen tijd te hebben voor een intakegesprek van een uur, en dat zij daarop is vertrokken. Met betrekking tot de gedraging van 3 november 2008 kan niet worden vastgesteld of appellante verwijtbaar heeft gehandeld en ten aanzien van de nieuwe afspraak op 5 november 2008 kan niet worden vastgesteld of verwijtbaar is dat appellante eerst om 11.00 uur bij het Werkcenter is verschenen. Wel kan appellante worden aangerekend dat, nadat gebleken was dat de afspraak op 5 november 2008 niet (direct) door kon gaan, zij op zeer duidelijke wijze en luidkeels te kennen heeft gegeven het niet eens te zijn met het feit dat zij moest wachten. Van appellante had op dat moment een andere, rustiger en meer coöperatieve opstelling verwacht mogen worden gelet op haar arbeidsverplichtingen en het feit dat eerdere afspraken met het Werkcenter, mede door haar toedoen, niet waren doorgegaan. Dat het Werkcenter na 5 november 2008 heeft aangegeven niet meer met appellante verder te willen kan dan ook, in ieder geval gedeeltelijk, aan appellante worden toegerekend. Appellante heeft verwijtbaar in onvoldoende mate meegewerkt aan een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte voorziening waarbij, mede gelet op recidive, op grond van de Verordening Werk en Bijstand Drechtsteden (Verordening) een sanctie hoort van 50% van de bijstandsnorm voor de duur van een maand. 1.
- Bij besluit van 18 juni 2009 (bestreden besluit) heeft de bestuurscommissie het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 november 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard en een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm voor de duur van een maand. Daaraan heeft de bestuurscommissie ten grondslag gelegd dat aan appellante in het kader van haar re-integratie naar de arbeidsmarkt een voorziening via het Werkcenter is aangeboden en zij daarvoor is uitgenodigd voor een intakegesprek op 29 oktober 2008, 3 november 2008 en 5 november 2008, maar dat als gevolg van haar houding en verzuim feitelijk geen intakegesprek plaats heeft kunnen vinden. Ook heeft appellante op 5 november 2008 op de locatie van het Werkcenter te Papendrecht zodanig gedrag vertoond, dat het Werkcenter heeft besloten niet meer met appellante verder te willen gaan. Appellante heeft met haar gedrag en verzuim in onvoldoende mate meegewerkt aan een voor de arbeidsinschakeling noodzakelijk geachte voorziening wat een verwijtbare gedraging van de vierde categorie oplevert op grond van de artikelen 9 en 18, tweede lid, van de WWB in samenhang met de artikelen 4.9 aanhef, vierde categorie onder b, en 4.22 van de Verordening. Wegens recidive is de maatregel met toepassing van de artikelen 4.11 en 4.23 van de Verordening verhoogd van 20% naar 50%.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het betreft de hoogte van de vergoeding van bezwaarkosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bestuurscommissie op goede gronden heeft besloten de bijstand van appellante met 50% gedurende een maand te verlagen en heeft de overwegingen van de voorzieningenrechter daaromtrent tot de hare gemaakt.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij heeft geoordeeld dat haar verweten kan worden dat het verloningstraject bij het Werkcenter voortijdig is beëindigd. Appellante heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten aanzien van de gedraging op 3 november 2008 heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld of appellante verwijtbaar heeft gehandeld door op die dag niet te verschijnen. Omdat het incident bij het Werkcenter op 29 oktober 2008 niet heeft geleid tot een voortijdige beëindiging van de aangeboden voorziening blijft slechts over de gedraging van appellante op 5 november
- Deze gedraging behoort echter niet te leiden tot een verlaging omdat van het Werkcenter een coulantere houding verwacht had mogen worden en omdat geen sprake is van verwijtbaar gedrag waarvoor het opleggen van een maatregel gerechtvaardigd was. Bij de beoordeling van de verwijtbaarheid van de gedragingen van appellante had bovendien rekening gehouden moeten worden met de omstandigheden, ten tijde van belang, zoals haar vrijwilligerswerk als schoolpleinouder op maandag tot en met vrijdag van 8.00 uur tot 9.30 uur, het feit dat zij voor haar vervoer in beginsel is aangewezen op het openbaar vervoer en de irritatie bij de contactpersoon van het Werkcenter die meende dat appellante op 5 november 2008 te laat was, wat heeft bijgedragen aan de ruzie die daarna ontstond.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Voor het in deze zaak relevante wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. 4.
- Vaststaat dat het Werkcenter appellante drie maal heeft uitgenodigd voor een intakegesprek in verband met een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het is onbetwist dat appellante is verschenen op de eerste afspraak op 29 oktober 2008, daarbij te kennen heeft gegeven geen tijd te hebben voor een intakegesprek en is vertrokken. De rechtbank heeft, met een verwijzing naar de overwegingen van de voorzieningenrechter, terecht geoordeeld dat het gedrag van appellante op 29 oktober 2008 verwijtbaar is. De desbetreffende overwegingen uit de onder 1.5 aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter worden onderschreven. Onbetwist is verder dat appellante niet is verschenen op de tweede afspraak op 3 november 2008 omdat zij haar bus zou hebben gemist. Het niet verschijnen op de afspraak van 3 november 2008 heeft geleid tot het maken van een nieuwe afspraak voor 5 november
- Het niet verschijnen op 3 november 2008 heeft dus op zichzelf niet geleid tot de beëindiging van het verloningstraject. Evenals de rechtbank en de voorzieningenrechter is de Raad van oordeel dat het gedrag van appellante op 5 november 2008 bij het Werkcenter te Papendrecht appellante dient te worden aangerekend. De desbetreffende onder 1.5 vermelde overwegingen maakt de Raad tot de zijne. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het samenspel van gebeurtenissen op 29 oktober 2008, 3 november 2008 en 5 november 2008 heeft geleid tot een voortijdige beëindiging van het verloningstraject en dat de bestuurscommissie op goede gronden heeft aangenomen dat appellante verwijtbaar onvoldoende heeft meegewerkt aan een traject gericht op arbeidsinschakeling. Voor het standpunt van appellante dat van het Werkcenter een coulantere houding had mogen worden verwacht ziet de Raad geen aanknopingspunten. 4.
- Uit 4.2 vloeit voort dat de bestuurscommissie op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand in overeenstemming met de Verordening te verlagen. Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd ten aanzien van de mate van verwijtbaarheid vormt geen aanleiding voor een matiging van de verlaging. 4.
- Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober
- (getekend) C. van Viegen (getekend) V.C. Hartkamp HD