← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY0458

11/5045 ZVW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2011, 08/4781 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] het College voor Zorgverzekeringen (Cvz) Datum uitspraak 17 oktober

  1. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Cvz heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli
  2. Appellant is verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Siemeling en mr. M. Mulder. OVERWEGINGEN
  3. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  4. Appellant is geboren in 1937 en woont sinds 2001 in Duitsland. Appellant ontvangt van de Sociale verzekeringsbank een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. 1.
  5. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (Duitsland), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is een bijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen (buitenlandbijdrage). De hoogte van de bijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland gedeeld door de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland (de woonlandfactor). Appellant heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat hij in Duitsland is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen. 1.
  6. Bij brief van december 2005 heeft Cvz appellant medegedeeld dat hij recht heeft op medische zorg in Duitsland ten laste van Nederland en dat hij daarvoor ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage is verschuldigd. 1.4 Bij besluit van 19 juni 2007 is het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van december 2005 geen besluit bevat. Bij uitspraak van 21 oktober 2008 (07/2619) heeft de rechtbank dit besluit vernietigd en Cvz opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Bij besluit van 21 november 2008 heeft Cvz het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 november 2008 ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en onder meer betoogd dat hij met de buitenlandbijdrage maandelijks een premie betaalt voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Hiervan wenst appellant vrijgesteld te worden omdat hij in Duitsland geen gebruik kan maken van AWBZ-zorg. Volgens appellant is er, bijvoorbeeld omdat hij in Duitsland geen recht heeft op Pflegegeld, sprake van discriminatie en wordt hij belemmerd in zijn vrij verkeer. Ten slotte acht appellant de woonlandfactor arbitrair, willekeurig en disproportioneel.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Voor de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 26 augustus 2009 (LJN BJ5891) en naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010, Van Delft e.a. (C-345/09; LJN BO1908). 4.
  11. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht treft geen doel. De Raad verwerpt het standpunt van appellant dat op zijn pensioen AWBZ-premie wordt ingehouden, waar geen recht op AWBZ-zorg tegenover staat. De Raad is van oordeel dat de op zijn pensioen in mindering gebrachte inhouding ten titel van “inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage” geen AWBZ-premie is, aangezien voor het heffen van een dergelijke premie in zijn situatie geen wettelijke grondslag bestaat, maar de in artikel 69 van de Zvw bedoelde buitenlandbijdrage die hij verschuldigd is voor de ten laste van Nederland komende kosten van de medische zorg waarop hij overeenkomstig Vo 1408/71 en het recht van de Bondsrepubliek Duitsland recht heeft in zijn woonland. De Raad overweegt daartoe dat in artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering (de Regeling) onder meer is bepaald dat de inkomensafhankelijke bijdrage, een van de componenten van de buitenlandbijdrage, wordt berekend overeenkomstig de premie voor de AWBZ. Verder volgt ook uitdrukkelijk uit de toelichting op de Regeling (Stcrt. 19 december 2006, nr. 247, p.3) dat dit deel van de bijdrage een pseudo-AWBZ-premie betreft en niet op één lijn kan worden gesteld met de AWBZ-premie. Dit betekent dat de inhouding op het pensioen van appellant ook niet op één lijn kan worden gesteld met premie AWBZ. 4.
  12. Voorts stelt de Raad vast dat appellant in Duitsland recht heeft op zorg overeenkomstig het woonlandpakket, waarbij de dekking (en hiermee aldus het soort zorg) wordt bepaald op basis van de Vo 1408/
  13. Met de woonlandfactor wordt vervolgens tot uitdrukking gebracht in welke mate de in dit woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket (Zvw en AWBZ) opgenomen zorg. Door toepassing van de woonlandfactor draagt appellant niet bij voor (AWBZ-)zorg die niet behoort tot het Duitse pakket van sociale verzekering. De Raad heeft eerder in zijn uitspraak van 26 augustus 2009 (LJN BJ6362) overwogen dat bij de toepassing van de woonlandfactor geen sprake is van een overduidelijke onevenredigheid bij de ongelijke behandeling van bijdrageplichtigen, zoals appellant, en in Nederland woonachtige premieplichtigen. De Raad heeft in deze uitspraak voorts geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en evenmin met het verbod van willekeur. 4.
  14. Ten slotte is de Raad ook overigens in het onderhavige geding niet gebleken van een vorm van ongelijke behandeling van appellant door Cvz, die onverenigbaar is met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht.
  15. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober
  16. (getekend) R.M. van Male (getekend) N.M. van Gorkum HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.