10/4620 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2010, 09/4628 en 09/7363 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop (college) Datum uitspraak: 16 oktober 2012 PROCESVERLOOP Als gevolg van de opheffing van de Intergemeentelijke Sociale dienst De Rijnstreek (ISDR) treedt in dit geding het college in de plaats van het dagelijks bestuur van de ISDR (dagelijks bestuur). In deze uitspraak wordt onder het college tevens verstaan het dagelijks bestuur. Namens appellante heeft mr. J.C.J. Smallenbroek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus
- Voor appellante is verschenen mr. Smallenbroek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F. Elidrissi. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante ontving sinds 1 augustus 1992 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het college de bijstand met ingang van 1 mei 2007 ingetrokken op de grond dat appellante zonder daarvan melding te maken bij het college een gezamenlijke huishouding voert met [P.]. Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 september 2008, 07/7438, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2007 ongegrond verklaard. 1.
- Op 22 september 2008 heeft appellante zich gemeld bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI) om bijstand op grond van de WWB aan te vragen. Op 30 september 2008 heeft appellante de aanvraag om bijstand met ingang van 1 mei 2007 ingediend. Op het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat zij alleenwonend is. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 30 december 2008 met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Volgens het college is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden na het onder 1.1 vermelde besluit tot intrekking van de bijstand van appellante. Bij brief van 30 januari 2009, door het college ontvangen op 2 februari 2009, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 december
- 1.
- Op 8 juni 2009 heeft appellante zich gemeld bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om bijstand op grond van de WWB aan te vragen. Op 16 juni 2009 heeft appellante de aanvraag om bijstand vanaf mei 2007 ingediend. Op het aanvraagformulier heeft zij wederom vermeld dat zij alleenwonend is. Op de dag van indiening van de aanvraag hebben appellante en [P.] in een gesprek met twee medewerkers van het college verklaard dat [P.] woonachtig is bij appellante en deze situatie pas zal veranderen als er zorg wordt geleverd door het college in de vorm van een uitkering dan wel persoonlijke verzorging. Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het college de aanvraag van 16 juni 2009 met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen. Volgens het college is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden na het onder 1.1 genoemde besluit tot intrekking van de bijstand en het onder 1.2 genoemde besluit tot afwijzing van de aanvraag van 30 september
- Bij brief van 10 augustus 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 juli
- 1.
- Bij besluit van 28 september 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 30 december 2008 en 27 juli 2009 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat de uitspraak van de rechtbank van 25 september 2008 onherroepelijk is en gezag van gewijsde heeft tussen partijen en dat de intrekking van de bijstand van appellante daarmee formele rechtskracht heeft gekregen. Het college heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat beide aanvragen van appellante onder de werking van artikel 4:6 van de Awb vallen. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat recht bestaat op de aangevraagde bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande op enig tijdstip na 1 mei
- Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Omdat appellante geen professionele zorg ontvangt, wordt mantelzorg verleend door [P.]. [P.] verblijft om die reden bij appellante. Dit is een beletsel voor toekenning van bijstand op grond van de WWB of een financiële tegemoetkoming op grond van een andere regeling. Het college heeft onzorgvuldig gehandeld doordat niet is gezocht naar een oplossing buiten de WWB, omdat de situatie onhoudbaar is en de gezondheidssituatie van appellante erg slecht is. Voorts heeft het college onvoldoende voorlichting gegeven over de positie van appellante en is onvoldoende met haar gecommuniceerd. Het college heeft voorts te laat beslist op de aanvraag van 30 september 2008 en het bestreden besluit is genomen negen maanden na het besluit van 30 december
- Volgens appellante had de rechtbank het bestreden besluit moeten vernietigen en de rechtsgevolgen ervan in stand moeten laten.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvragen om bijstand op grond van de WWB terecht zijn afgewezen. De beroepsgronden van appellante zien op de zorgvuldigheid en tijdigheid van de besluitvorming. 4.
- De aanvragen van appellante hebben betrekking op bijstand op grond van de WWB. In dit geding kan daarom slechts de vraag aan de orde komen of het bestreden besluit waarbij de afwijzing van deze aanvragen is gehandhaafd in rechte stand kan houden. De stelling van appellante dat het college had moet zoeken naar een oplossing buiten de WWB blijft daarom buiten bespreking. Dit geldt ook voor hetgeen appellante heeft aangevoerd over de in haar ogen gebrekkige communicatie en voorlichting door het college. 4.
- Ten aanzien van hetgeen appellante heeft aangevoerd over de overschrijding van de beslistermijnen van de Awb merkt de Raad het volgende op. 4.3.
- De aanvraag van appellante is op 30 september 2008 door het college ontvangen. Op 30 december 2008 is een besluit op deze aanvraag genomen. Op grond van artikel 4:13 van de Awb diende het college binnen een redelijke termijn, dat is uiterlijk binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag op 30 september 2008, een besluit op die aanvraag te nemen. Niet is gebleken dat het college een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb of de afhandeling van de aanvraag heeft opgeschort op grond van het bepaalde in artikel 4:15 van de Awb. Dit betekent dat ten tijde van het besluit op 30 december 2008 de beslistermijn was verstreken. 4.3.
- Het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 30 december 2008 is op 2 februari 2009 bij het college binnengekomen. Het college heeft uiteindelijk op 28 september 2009 op het bezwaar beslist. Daarmee heeft het college de ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb geldende termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar overschreden. Uit de gedingstukken kan worden opgemaakt dat appellante op 1 juli 2009 de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft verzocht om schorsing van het besluit van 30 december
- Ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank is tussen partijen afgesproken dat de behandeling van de voorlopige voorziening zal worden aangehouden, teneinde het college in de gelegenheid te stellen het bezwaarschrift tegen het besluit van 27 juli 2009 tegelijk te behandelen met het bezwaarschrift tegen het besluit van 30 december
- In deze afspraak kan slechts voor een beperkt deel van de termijnoverschrijding een rechtvaardiging worden gezien. 4.3.
- De Awb verbindt aan de enkele overschrijding van de voor het nemen van een besluit op een aanvraag en beslissing op bezwaar geldende termijn geen consequenties, behoudens de mogelijkheid om tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag bezwaar te maken of tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar beroep in te stellen. De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen was in de periode in geding nog niet in werking getreden. Niet gebleken is dat appellante door de overschrijding van de beslistermijnen schade heeft geleden. Gelet op het voorgaande wordt volstaan met de constatering dat appellante terecht heeft aangevoerd dat de termijn waarbinnen het college een besluit op de aanvraag en vervolgens een beslissing op bezwaar diende te nemen is overschreden. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en E.J. Govaers en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober
- (getekend) J.J.A. Kooijman De griffier is buiten staat te tekenen