11/2203 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 maart 2011, 10/5518 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 16 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 4 september
- Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. 1.
- Appellante heeft op 25 maart 2010 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van vloerbedekking, een bankstel en kledingkasten omdat zij is verhuisd. 1.
- Bij besluit van 2 juni 2010 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. 1.
- Bij besluit van 6 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juni 2010 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college, samengevat, het volgende overwogen. De kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zijn niet noodzakelijk. De wens om te verhuizen is geen bijzondere omstandigheid. Slechts indien sprake is van bijzondere medische of sociale redenen, die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maken, kan voor deze kosten bijstand worden verstrekt.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er in de oude woning sprake was van extreme overlast van ongedierte. Dit vormde een reële bedreiging voor de gezondheid van haar zelf en de kinderen, terwijl de verhuurder weigerde iets te ondernemen.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. 4.
- Vaststaat dat appellante bij de aanvraag om bijzondere bijstand heeft aangegeven dat de verlaten woning te duur voor haar was en dat zij graag dichter bij haar moeder wilde wonen. Eerst in bezwaar is naar voren gebracht dat de verhuizing noodzakelijk was in verband met de aanwezigheid van ongedierte. 4.
- Appellante heeft niet aan de hand van objectief verifieerbare stukken aannemelijk gemaakt dat sprake was van overlast van ongedierte en dat haar voormalige huisbaas daar niets aan wilde doen. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet noodzakelijk zijn. De enkele wens om (op korte termijn) te verhuizen brengt niet met zich dat de daarmee gepaard gaande inrichtingskosten moeten worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. 4.
- Anders dan de rechtbank heeft overwogen mist artikel 16, eerste lid, van de WWB hier toepassing omdat appellante tot de personenkring van de WWB behoort en zich niet de situatie voordoet dat zij geen recht op bijstand heeft wegens het bepaalde in de artikelen 13 tot en met 15 van de WWB. 4.
- Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober
- (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) M. Sahin