← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY0613

11/2626 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 maart 2011, 10/861 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college) Datum uitspraak: 16 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. Osmic, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september

  1. Voor appellante is verschenen mr. B.H.A. Augustien, kantoorgenoot van mr. Osmic. Het college heeft zich, met bericht vooraf, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 31 oktober 2006 tot en met 15 april
  4. 1.
  5. Op 2 november 2009 heeft appellante zich gemeld bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om bijstand aan te vragen. Op 3 november 2009 heeft zij een aanvraagformulier ingevuld en ondertekend. In het kader van een intakegesprek heeft appellante te kennen gegeven tevens alsnog bijstand aan te willen vragen over de periode van 18 mei 2009 tot 23 juli 2009 en (aanvullend) over de maand oktober
  6. 1.
  7. Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college aan appellante met ingang van 2 november 2009 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om bijstand te verlenen over de periode voorafgaand aan de datum van aanvraag. 1.
  8. Bij besluit van 4 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2009 ongegrond verklaard. Uit ingesteld onderzoek is het college gebleken dat appellante op 15 juni 2009 een gesprek heeft gehad met een medewerkster van de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI) en een vacature van [M.] heeft meegekregen. Er is bij die gelegenheid geen aanvraag voor een WW-uitkering of voor een WWB-uitkering ingediend.
  9. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is met het college van oordeel dat appellante over de periodes van 18 mei 2009 tot 12 juni 2009 en van 23 juli 2009 tot en met 30 september 2009 geen recht op bijstand heeft omdat haar inkomsten uit arbeid voor Wiertz Uitzenden BV in de eerste periode en voor [M.] vanaf 23 juli 2009 meer bedroegen dan de voor appellante geldende bijstandsnorm met toeslag. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellante zich eerder dan op 2 november 2009 heeft gemeld om een aanvraag voor bijstand in te dienen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden de weigering van het college om aan de toekenning van bijstand terugwerkende kracht te verlenen voor onjuist te houden.
  10. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft met nadruk herhaald dat zij bij het CWI destijds heeft aangegeven dat zij een aanvraag om bijstand wilde indienen maar dat zij door de betreffende medewerkster is verwezen naar het UWV voor een WW-uitkering terwijl deze kon weten dat appellante daarvoor niet in aanmerking zou komen.
  11. De Raad overweegt het volgende. 4.
  12. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast. 4.
  13. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. 4.
  14. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. 4.
  15. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat appellante eerder dan op 2 november 2009 een aanvraag om bijstand heeft ingediend. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet ook de Raad geen bijzondere omstandigheden die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. In aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen merkt de Raad nog het volgende op. 4.
  16. Niet in geschil is dat appellante zich op 15 juni 2009 na haar ontslag bij Wiertz Uitzenden BV tot het CWI heeft gewend en na een gesprek de vacature bij [M.] heeft meegekregen. Dat toen tevens een schriftelijk verzoek om bijstand is ingediend als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet aannemelijk gemaakt. Wat er zij van het betoog van appellante dat zij bij die gelegenheid de intentie heeft gehad om een bijstandsaanvraag in te dienen, een en ander heeft toen in ieder geval niet geleid tot registratie van haar naam, adres en woonplaats noch tot het verstrekken van een aanvraagformulier. Dat de medewerkster van het CWI, zoals de gemachtigde van appellante ook ter zitting uitvoerig heeft betoogd, haar ervan zou hebben weerhouden om een melding te doen of een aanvraag om bijstand in te dienen omdat zij eerst een WW-uitkering diende aan te vragen dan wel werk moest zien te vinden, vindt geen steun in de voorhanden gegevens en is ook overigens niet aannemelijk gemaakt. 4.
  17. Met betrekking tot de maand oktober 2009 komt de Raad met de rechtbank tot eenzelfde oordeel. Naar de gemachtigde ter zitting heeft toegelicht wilde appellante wachten met het indienen van een aanvraag tot zij aan het eind van de maand een overzicht zou hebben van het totaal aantal in oktober 2009 gewerkte uren en ontvangen verdiensten. Deze handelwijze dient echter voor rekening en risico van appellante te blijven. De conclusie moet dan ook zijn dat de ingangsdatum van de bijstand terecht op 2 november 2009 is gesteld. 4.
  18. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  19. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober
  20. (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) M. Sahin

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.