← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY0956

11/1297 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 januari 2011, 10/3133 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 12 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus

  1. Voor appellant is mr. Van Es verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. OVERWEGINGEN
  2. Bij beslissing op bezwaar van 18 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 augustus 2009 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 19 augustus 2009 heeft het Uwv appellant bericht dat zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 7 september 2009 wordt voortgezet als een WGA-vervolguitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
  3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat er op medische gronden geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid.
  4. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg geeft gedaan. Hij heeft aangevoerd dat hij primair volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en subsidiair dat hij naar een hoger percentage arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. 4.1 Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 4.2 Appellant kan slechts voor een IVA-uitkering in aanmerking komen indien hij zowel volledig als duurzaam arbeidsongeschikt is. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het het Uwv met juistheid heeft geconcludeerd dat er per 7 september 2009 geen sprake is van een volledige arbeidsongeschiktheid, zodat niet beoordeeld behoeft te worden of er sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Daartoe heeft de rechtbank de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige besluitvorming onderzocht, getoetst en in orde bevonden 4.
  5. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Van de zijde van appellant zijn geen gegevens ingebracht die twijfel oproepen over de juistheid van de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de zorgvuldigheid van het in geding zijnde medische onderzoek en de conclusie die daaraan is verbonden door de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de voor appellant geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid op de datum in geding. Zodat aan appellant op goede gronden een WGA-vervolguitkering is toegekend en niet een IVA-uitkering. 4.
  6. Het Uwv heeft in hoger beroep aan een bezwaararbeidsdeskundige verzocht te bespreken welke functies voor appellant geschikt zijn op 7 september 2009, zijnde de datum in geding, dit omdat de eertijds geduide functies niet meer actueel zijn. Uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 mei 2011 komt naar voren dat er op datum in geding voor appellant in het verlengde van de oorspronkelijk geduide functies nog een aantal functies zijn te duiden te weten de functies inpakker, productiemedewerker textiel en huishoudelijk medewerker. Met deze functies resteert voor appellant een verlies aan verdienvermogen van ongeveer 53%. Het Uwv heeft geconcludeerd dat appellant ingedeeld blijft in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. 4.
  7. Appellant heeft aangevoerd de motivering ten aanzien van de signaleringen in de functiebelastingen niet toereikend te achten. Appellant heeft ook naar voren gebracht dat hij niet over het voor de functies vereiste opleidingsniveau beschikt en dat het volgen van een bedrijfsopleiding gelet op zijn belastbaarheid te veel is gevraagd. Appellant heeft voorts betoogd dat de huishoudelijk medewerker gebouwen niet in het verlengde ligt van de eerder geduide functie medewerker interieurverzorging en de functie huishoudelijk medewerker gebouwen derhalve niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. 4.
  8. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in een rapport , met bijlagen, in voldoende mate inzichtelijk hebben gemaakt dat de belasting van de functies in overeenstemming is met de FML. De gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid zijn toereikend gemotiveerd. 4.
  9. Op het aanvraagformulier WIA-uitkering van 11 februari 2008 heeft appellant ingevuld dat hij van 1983 tot 1987 een middelbare school heeft doorlopen en deze met een diploma heeft afgerond, ook heeft appellant gesteld dat deze opleiding met een mavo is te vergelijken. Gelet hierop heeft de bezwaararbeidsdeskundige het opleidingsniveau van appellant niet overschat. Ook zijn er geen beletselen om aan te nemen dat appellant gelet op de omschrijving van de interne bedrijfstraining deze kan vervullen. In tegenstelling tot hetgeen appellant over de functie huishoudelijk medewerker gebouwen heeft gesteld is ervaring voor deze functie niet vereist doch wordt slechts een voorkeur uitgesproken. De functie huishoudelijk medewerker gebouwen kan geacht worden in het verlengde te liggen van de eerder geduide functie medewerker interieurverzorging zodat deze functie ook thans aan de beoordeling ten grondslag kan worden gelegd; dat in de thans geduide functie sprake is van een andere opleidingsniveau en functienummer doet hier niet aan af. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid met juistheid heeft vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.
  10. Nu het Uwv pas in hoger beroep een toereikende arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit heeft gegeven zijn er termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Voorts zal bepaald worden dat aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht wordt vergoed. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal € 1.748,- Nu in beroep en in hoger beroep een bewijs van toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand is afgegeven, dient het bedrag van € 1.748,- te worden betaald aan de griffier van de Raad.
  11. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.748,- te betalen aan de griffier van de Raad; - wijst verzoek om schadevergoeding af; - bepaalt dat het Uwv een bedrag van in totaal € 153,- aan appellant vergoedt aan betaalde griffierechten in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober
  12. (getekend) T. Hoogenboom (getekend) J.R. Baas

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.