← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY1196

11/5176 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2011, 10/5947 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 19 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.J.A. Vis hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 7 september

  1. Partijen zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. OVERWEGINGEN
  2. Appellante is kok geweest en is op 28 december 2007 uitgevallen wegens longklachten. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante is onderzocht door de verzekeringsarts C. Verweij, die in haar rapport van 12 januari 2010 heeft vastgesteld dat er bij appellante, naast haar longklachten (astma), tevens sprake is van een agorafobie. Met inachtneming van uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft zij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige M.E. Bakel in haar rapport van 2 maart 2010 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk maar nog wel geschikt voor een zestal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport is bij besluit van 9 maart 2010 vastgesteld dat voor appellante geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan omdat zij met ingang van 25 december 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. 2.
  3. In bezwaar heeft appellante gesteld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts niet zorgvuldig is geweest en dat ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij de GGZ. Voorts heeft appellante er op gewezen dat zij medicijnen slikt die haar reactiesnelheid beïnvloeden. 2.
  4. De bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan heeft, nadat hij informatie had verkregen van de huisarts en de behandelend psycholoog, in zijn rapport van 11 oktober 2010 vastgesteld dat er bij appellante, naast haar longklachten, sprake is van een paniekstoornis met agorafobie. Tevens heeft hij vastgesteld dat appellante slaapproblemen heeft op grond waarvan hij de voor haar vastgestelde FML enigszins heeft aangepast in die zin dat zij geen nachtdiensten kan verrichten. Op grond van deze aangepaste FML is de bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen in haar rapport van 27 oktober 2010 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor één van de geselecteerde functies. De resterende functies heeft zij echter wel geschikt geacht en de mate van arbeidsongeschiktheid heeft zij berekend op eveneens minder dan 35%. Bij besluit van 29 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
  5. In beroep heeft appellante gesteld dat zij meer beperkingen heeft ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en dat werken op grote afstand van haar woning niet mogelijk is vanwege haar agorafobie. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij nog informatie ingebracht van de GGZ inGeest.
  6. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.
  7. In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat haar belastbaarheid is overschat. In het bijzonder heeft zij benadrukt dat zij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen vanwege de uit de agorafobie voortvloeiende vervoersproblemen.
  8. De Raad overweegt als volgt. 6.
  9. De bezwaarverzekeringsarts heeft een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Nadat hij appellante op de hoorzitting had gezien en informatie had verkregen van de huisarts, heeft hij op 11 oktober 2010 de door de verzekeringsarts vastgestelde FML enigszins aangepast. Op grond van de beschikbare medische gegevens kan niet worden geconcludeerd dat in deze aangepaste FML de beperkingen van appellante zijn onderschat, mede gezien de omstandigheid dat de medische gegevens laten zien dat er bij appellante geen sprake is van een ernstige psychische stoornis. Het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt, zoals dat blijkt uit het ter zitting bij de rechtbank overgelegde rapport, dat de in beroep van de zijde van appellante overgelegde informatie van de GGZ inGeest voor hem geen aanleiding heeft gevormd om deze FML aan te passen, kan evenmin voor onjuist worden gehouden. 6.
  10. Uitgaande van de juistheid van de op 11 oktober 2010 vastgestelde FML moet worden vastgesteld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 oktober 2010 voldoende toegelicht. Het daarin ingenomen standpunt dat appellante bij vervoersproblemen in het woon-werkverkeer in aanmerking kan komen voor een vervoersvoorziening kan evenmin voor onjuist worden gehouden. Dit betekent dat de vervoersproblemen van appellante, die gezien de in de FML vastgestelde vervoersbeperking op zich door het Uwv zijn onderkend, geen belemmering behoeven te vormen om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te kunnen uitoefenen. 6.
  11. Gelet op de overwegingen 6.1 en 6.2 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober
  13. (getekend) J.W. Schuttel (getekend) K.E. Haan

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.