← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY1199

11/4108 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 mei 2011, 10/1428 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 19 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september

  1. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer. OVERWEGINGEN
  2. Appellante, via een uitzendbureau werkzaam geweest als assemblagemedewerker, is op 2 april 2008 uitgevallen wegens psychische klachten. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante is onderzocht door de verzekeringsarts D. Grubben, die in zijn rapport van 15 februari 2010 tot de conclusie is gekomen dat appellante als gevolg van psychische klachten beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige K.T. Tulmans in zijn rapport van 23 maart 2010 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk maar nog wel voor een zestal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2010 vastgesteld dat voor appellante geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan omdat zij met ingang van 31 maart 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
  3. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na een rapport van 31 augustus 2008 van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp, bij besluit van 13 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
  4. In beroep heeft appellante primair gesteld dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Subsidiair heeft zij gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij om die reden de voor haar geselecteerde functies niet kan uitoefenen.
  5. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  6. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden naar voren gebracht als in beroep.
  7. De Raad overweegt als volgt. 6.
  8. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen, waarbij in overweging is genomen dat zij de beschikking hebben gehad over informatie uit de behandelende sector. Voorts kan op grond van de beschikbare medische gegevens niet worden geconcludeerd dat de beperkingen van appellante als gevolg van haar psychische klachten zijn onderschat. Het door de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp in zijn rapport van 24 december 2010 ingenomen standpunt dat de door appellante in beroep ingebrachte (medische) informatie van psychiater A. Böhlke en het Regionaal Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Venlo geen aanleiding vormt voor het aannemen van meer beperkingen kan niet voor onjuist worden gehouden. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde hier in geding vanwege een medische behandeling (deels) niet beschikbaar was voor het verrichten van arbeid. Geconcludeerd moet worden dat de voor appellante per einde wachttijd vastgestelde FML niet voor onjuist kan worden gehouden. 6.
  9. Uitgaande van de juistheid van de per einde wachttijd vastgestelde FML is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met het rapport van de arbeidsdeskundige Tulmans van 23 juni 2010 voldoende toegelicht. 6.
  10. Op grond van de overwegingen 6.2 en 6.3 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober
  12. (getekend) J.W. Schuttel (getekend) K.E. Haan

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.