11/2486 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 maart 2011, 10/3747 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 12 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.J.L. van Santen hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd onder toezending van nadere stukken. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus
- Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blind. OVERWEGINGEN
- Bij beslissing op bezwaar van 13 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 februari 2010 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 1 februari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 22 januari 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 22 januari 2010 op minder dan 35% moet worden gesteld. Het bestreden besluit rust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij strekken alle ten betoge dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Volgens appellant had de rechtbank dat besluit moeten vernietigen omdat het Uwv appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat.
- Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 4.
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv kennis heeft genomen van het dossier, telefonisch contact met appellant heeft gehad en inlichtingen heeft ontvangen van behandelend psychiater, P.J. Carpentier. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 9 november 2010 afdoende gemotiveerd waarom hij in de brieven van psychiater Carpentier geen aanleiding ziet om de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te passen dan wel om een nader psychiatrisch onderzoek te gelasten. De bezwaarverzekeringsarts is in zijn rapport van 19 januari 2011 gemotiveerd ingegaan op het verschil tussen de FML die is opgemaakt in het kader van de indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en de door de verzekeringsarts van het Uwv opgestelde FML. De in het kader van de WSW verkregen onderzoeksresultaten heeft de bezwaarverzekeringsarts gewogen onder vermelding dat die zijn verkregen in een ander beoordelingskader dan dat van de Wet WIA. 4.
- De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. In zijn rapport van 9 september 2010 heeft de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv de geduide functies bezien en gesteld dat op basis van de vastgestelde beperkingen productiewerk geschikt is voor appellant omdat dit de noodzakelijke structuur biedt en omdat appellant daarbij onder gericht toezicht kan werken. Ook mag appellant een hele dag overwegend zittend werk doen. De duur van aaneengesloten zitten, noch het zitten tijdens het werk is voor appellant beperkt. De geduide functies zijn passend bij de krachten en bekwaamheden van appellant. 4.
- Appellant heeft in hoger beroep wederom gewezen op bij hem bestaande zeer complexe psychiatrische problematiek. Het Uwv en de rechtbank hebben ten onrechte nagelaten een onafhankelijk psychiater te laten rapporteren. Hierbij heeft appellant verwezen naar de brieven van psychiater Carpentier en het rapport van psycholoog P. Pellis, die heeft gerapporteerd in het kader van de WSW-beoordeling. Ten onrechte heeft het Uwv de bij die beoordeling naar voren gekomen beperkingen niet overgenomen. Voorts is verwezen naar een rapport van 30 juni 2011van drs. F.R.A.J. de Meulemeester, orthopedisch chirurg. Het eerst genoemde rapport is en de brieven van psychiater Carpentier zijn naar behoren beoordeeld door de rechtbank. Het rapport van De Meulemeester heeft de bezwaarverzekeringsarts, na bespreking van de in het rapport opgenomen beperkingen en vergelijking daarvan met die welke zijn opgenomen in de FML, geen aanleiding gegeven het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De Raad heeft geen aanleiding voor twijfel met betrekking tot de juistheid van die conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft derhalve ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding is te oordelen dat hij op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, meer beperkingen ondervindt dan zijn neergelegd in de FML. Appellant is in staat met de bij hem vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid de ten aanzien van hem geselecteerde functies te verrichten. 4.
- Er is geen aanleiding een medisch deskundige te benoemen om te rapporteren aan de Raad. 4.
- De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
- Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober
- (getekend) T. Hoogenboom (getekend) J.R. Baas