← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY1402

11/3473 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 4 mei 2011, 10/815 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 26 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2012, waar appellant, met voorafgaande kennisgeving, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. OVERWEGINGEN 1.

  1. Appellant heeft laatstelijk als magazijnmedewerker gewerkt. Nadat deze werkzaamheden waren beëindigd, is hem een uitkering ingevolge de Werkeloosheidwet (WW) toegekend. Op 8 september 2003 heeft hij zich, terwijl hij nog een WW-uikering ontving, ziek gemeld. Vervolgens heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO). Bij besluit van 26 augustus 2004 is appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering omdat hij weliswaar niet langer geschikt is voor de maatgevende arbeid, maar op grond van een zogeheten theoretische schatting met ingang van 5 september 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 november 2004 ongegrond verklaard. 1.
  2. Bij brief van 17 november 2009 heeft appellant zich tot het Uwv gericht met het verzoek om een herbeoordeling wegens toegenomen klachten. 1.
  3. Naar aanleiding van dit verzoek is appellant onderzocht door de verzekeringsarts J. Dekker. In zijn rapport van 13 januari 2010 heeft hij als eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld 1 april 2009 (arbitrair). Voorts heeft hij vastgesteld dat er bij appellant sprake is van longklachten (astma), rug- en nekklachten, alsmede duizeligheid (ziekte van Ménière) en een navelbreuk. Nadat hij informatie had ingewonnen bij de Rugpoli-Twente is deze verzekeringsarts in zijn rapport 4 maart 2010 tot de conclusie gekomen dat er in vergelijking met de WAO-beoordeling in 2004 geen sprake is van toegenomen beperkingen en daarom ook geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van 9 maart 2010 meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. 2.
  4. In bezwaar heeft appellant gesteld, onder overlegging van informatie van de huisarts, dat hij steeds meer last heeft van zijn rugklachten en duizeligheid als gevolg van de ziekte van Ménière. 2.
  5. De bezwaarverzekeringsarts A.B. Gille is zijn rapport van 21 juni 2010 eveneens tot de conclusie gekomen dat er op grond van de klachten van appellant geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan bij de laatste beoordeling in
  6. Daarbij heeft hij onder meer in overweging genomen dat van het lichte perceptieve gehoorverlies aan de linkerzijde in 2004 nog geen sprake was, zodat deze klacht voor de thans in geding zijnde beoordeling niet relevant is. Bij besluit van 24 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
  7. In beroep heeft appellant zijn in bezwaar naar voren gebrachte gronden herhaald en heeft hij nog informatie ingebracht van de fysiotherapeut J. Gouma en zijn huisarts. Daarop heeft Gille gereageerd met een rapport van 12 april
  8. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld en dat terecht is vastgesteld dat er geen sprake is van een toegenomen beperkingen.
  9. Onder herhaling van zijn eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden heeft appellant in hoger beroep benadrukt dat hij met name vanwege zijn nek- en schouderklachten meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn aangenomen. Voorts heeft hij nog informatie ingebracht van de huisarts en heeft hij de Raad verzocht een deskundige in te schakelen.
  10. De Raad overweegt als volgt. 6.
  11. Het onderhavige geding spitst zich met name toe op de vraag of het Uwv bij de thans in geding zijnde beoordeling terecht geen rekening heeft gehouden met de door appellant gestelde, uit zijn nekklachten voortvloeiende beperkingen. 6.
  12. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. De gedingstukken wijzen in voldoende mate uit dat destijds bij de WAO-beoordeling in 2004 op grond van deze klachten geen beperkingen zijn aangenomen, hetgeen ingevolge het bepaalde in artikel 43a van de WAO betekent dat bij de thans in geding zijnde (Amber)beoordeling de (eventuele) uit deze klachten voortvloeiende beperkingen door het Uwv terecht buiten beschouwing zijn gelaten. Ook uit de door appellant ingebrachte informatie van de huisarts blijkt niet dat er in 2004 bij appellant reeds sprake was van een aandoening in zijn nek. 6.
  13. Het door het Uwv ingenomen standpunt dat er op grond van de overige klachten geen sprake is van een toename van beperkingen in vergelijking met de WAO-beoordeling in 2004 kan evenmin voor onjuist worden gehouden. Voor het inschakelen van een deskundige wordt geen aanleiding gezien. 6.
  14. Gelet op de overwegingen 6.1 tot en met 6.3 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
  15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober
  16. (getekend) J.W. Schuttel (getekend) J.R. Baas

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.