09/4222 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 juni 2009, 08/5207 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen [werkgeefster] (werkgeefster). Datum uitspraak: 26 oktober 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen hoger beroep ingesteld. Desgevraagd heeft mr. E. Lehmann namens de werkgeefster meegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen. Desgevraagd heeft appellant geen toestemming gegeven zijn medische gegevens aan werkgever ter kennisname te brengen. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens de werkgedfster heeft L.E. Manders gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om een schriftelijke uiteenzetting als bedoeld in artikel 8:43, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te geven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus
- Appellant is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär. De werkgeefster heeft zich, eveneens met voorafgaande kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
- Appellant is bij werkgeefster in dienst geweest als (tweede) elektrisch instrumentenmaker. Op 15 september 2005 is hij uitgevallen vanwege lichamelijke en psychische klachten. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat kader is appellant onderzocht door de verzekeringsarts K. Lindeboom, die in zijn rapport van 25 september 2007 tot de conclusie is gekomen dat er bij appellant sprake is van uit lichamelijke en psychische klachten voortvloeiende beperkingen. Met het oog hierop heeft de verzekeringsarts een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige G. Stor in zijn rapport van 5 november 2007 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel geschikt voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij berekend dat er geen verlies aan verdienvermogen was. Bij besluit van 5 november 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een Wet WIA-uitkering omdat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was. 2.
- In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij als gevolg van zijn klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat de geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn. 2.
- In haar rapport van 17 april 2008 is de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer tot de conclusie gekomen dat appellant eveneens beperkingen heeft ten aanzien van horen. Op 17 april 2008 heeft zij de FML dienovereenkomstig aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde heeft in zijn rapport van 29 mei 2008 vastgesteld dat één van de geselecteerde functies niet geschikt voor appellant is omdat hij niet de vereiste opleiding voor deze functie heeft. De overige vier geselecteerde functies, waaronder de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies, heeft hij wel geschikt geacht en met het standpunt van de arbeidsdeskundige dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, heeft hij zich kunnen verenigen. Bij besluit van 3 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. 3.
- In beroep heeft appellant herhaald dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Hij heeft gesteld dat hij al langere tijd onder behandeling is bij de GGZ en heeft daarbij verwezen naar een zich onder gedingstukken bevindende brief van 21 maart 2008 van de behandelend psychiater M.P.M. Vorstenbosch. 3.
- In reactie op de door appellant ingediende gronden heeft het Uwv een rapport van 1 september 2008 van bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde ingebracht.
- De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
- In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden ingediend als eerder in de procedure.
- De Raad overweegt als volgt. 6.
- De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de lichamelijke en psychische klachten van appellant. Daarbij is in overweging genomen dat verzekeringsarts Lindeboom appellant heeft onderzocht en dat de bewaarverzekeringsarts appellant heeft gezien tijdens de hoorzitting. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts de voormelde brief van 21 maart 2008 van psychiater Vorstenbosch in haar beoordeling betrokken. Voorts kan op grond van de beschikbare medische gegevens niet de conclusie worden getrokken dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. In bezwaar is de FML nog aangepast op het item horen en heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 17 april 2008 de door appellant in bezwaar betrokken stelling dat hij meer beperkingen heeft, in voldoende mate weerlegd. Nadien heeft appellant geen medische informatie ingebracht die tot een ander oordeel met betrekking tot zijn gezondheidstoestand op de datum in geding zou moeten leiden. Geconcludeerd moet worden dat de door de bezwaarverzekeringsarts op 17 april 2008 voor appellant vastgestelde FML niet voor onjuist kan worden gehouden. 6.
- Uitgaande van de juistheid van de per einde wachttijd vastgestelde FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met de rapporten van bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde van 29 mei 2008 en 1 september 2008 alsmede met het in hoger beroep ingebrachte rapport van 13 oktober 2009 van bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. 6.
- De overwegingen 6.1 en 6.
- leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 7.
- Bij brief van 20 juli 2012 heeft de gemachtigde van appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en heeft daarbij te kennen gegeven dat naar haar mening zowel in de bezwaarfase als in de rechterlijke fase de redelijke termijn is overschreden. 7.
- Voor de wijze van beoordeling van dit verzoek verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH
- In deze zaak zijn vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 12 december 2007 tot de datum van deze uitspraak 4 jaren en ruim 10 maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant, aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van het tijdsverloop in de zaak heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv minder dan zes maanden geduurd. Daarom is, anders dan namens appellant is gesteld, van een te lange behandelduur in bezwaar geen sprake. De behandeling van het beroep bij de rechtbank duurde van 16 juli 2008 tot 17 juni 2009, ongeveer 11 maanden, terwijl de behandeling van het hoger beroep vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift van appellant op 29 juli 2009 tot de datum van deze uitspraak 3 jaar en ruim twee maanden heeft geduurd. Aan deze vaststellingen kan het vermoeden worden ontleend dat bij een totale duur van de rechterlijke fase van ruim vier jaren de redelijke termijn is geschonden door de Raad. 7.
- De Raad verbindt aan de vaststellingen in 7.
- de gevolgstrekking dat in deze procedure met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden beslist over het verzoek van appellant en dat daarvoor het onderzoek in deze zaak moet worden heropend. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - bepaalt dat het onderzoek wordt heropenend onder nr. 12/5482 BESLU ter voorbereiding van een andere uitspraak over het verzoek van appellant om schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C. Bruning en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober
- (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) J.R. Baas