10/4415 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 juli 2010, 09/8758 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college) Datum uitspraak 30 oktober
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.R. Bissessur, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari
- Voor appellant is verschenen mr. Bissessur. Het college is, met bericht, niet verschenen. De Raad heeft het onderzoek heropend, omdat het niet volledig is geweest. Het college en appellant hebben vervolgens op 26 januari 2012 onderscheidenlijk 16 april 2012 nadere informatie verstrekt. Na toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten. Na een tussenuitspraak van de Raad van 10 juli 2012, LJN BX1131, heeft het college met besluiten van 24 juli 2012 en 30 juli 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (uitvoeringsbesluit). Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN 1.
- De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 10 juli 2012 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. 1.
- Het college is met het uitvoeringsbesluit, materieel bezien, geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. Immers, bij dat besluit heeft het college appellant alsnog met ingang van 4 augustus 2009 bijstand verleend. Voorts heeft het college bij het uitvoeringsbesluit een vergoeding voor de door appellant in bezwaar gemaakte kosten toegekend.
- Met het uitvoeringsbesluit heeft het college de onrechtmatigheid van het bestreden besluit erkend. In een dergelijk geval is het belang bij een beoordeling in hoger beroep in beginsel komen te vervallen, tenzij van een dergelijk belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Nu door appellant een zodanig verzoek is gedaan, bestaande uit vergoeding van de wettelijke rente, heeft hij belang behouden bij een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het besluit van 16 november 2009, waarbij is gehandhaafd het besluit van 26 augustus 2009 tot buiten behandelingstelling van de bijstandsaanvraag van appellant van 4 augustus 2009, zodat de Raad daartoe zal overgaan. 2.
- Nu met het uitvoeringsbesluit aan de bezwaren van appellant geheel is tegemoetgekomen, wordt het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb niet mede gericht geacht tegen dit besluit. Het uitvoeringsbesluit wordt daarom niet in het hoger beroep meegenomen. 2.
- De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het college te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop het college de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV
- Er bestaat aanleiding om het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep, te betalen aan de griffier van de Raad, en op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -vernietigt de aangevallen uitspraak; -verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 november 2009; -veroordeelt het college tot vergoeding van schade als aangegeven in 2.2; -veroordeelt het college in de kosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad, en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,--; -bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober
- (getekend) W.F. Claessens (getekend) N.M. van Gorkum SG