← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY1864

11/805 WWB en 11/806 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 december 2010, 10/966 en 10/967 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak 30 oktober

  1. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. L.E. Nijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus
  2. Voor appellanten is verschenen mr. Nijk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma. OVERWEGINGEN
  3. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  4. Appellanten ontvingen vanaf 1 juli 2008, in aanvulling op hun gekorte pensioenen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op het formulier waarmee zij bijstand hebben aangevraagd, hebben appellanten ingevuld geen vermogen te bezitten en bij het besluit tot toekenning van de bijstand is het vermogen van appellanten vastgesteld op nihil. 1.
  5. In het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand heeft appellant op 4 maart 2009 tijdens een huisbezoek tegenover een consulent van de gemeente Zwolle verklaard dat hij een woning en omliggende grond bezit in Assamar, Marokko. Nadat de consulent daarvan bij de Svb melding had gemaakt, heeft de Svb appellant bij brieven van 24 juni 2009 en 28 juli 2009 verzocht om uiterlijk 23 juli 2009, respectievelijk 11 augustus 2009 een overzicht te verstrekken van alle bezittingen in het buitenland en om taxatierapporten van die bezittingen. In deze brieven heeft de Svb vermeld dat de gevraagde informatie nodig is om het recht op bijstand vast te stellen. 1.
  6. Bij afzonderlijke besluiten van 23 september 2009 heeft de Svb namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (college) de betaling van de bijstand aan appellanten stopgezet, omdat appellant niet heeft gereageerd op het verzoek om informatie. Voorts is appellanten een hersteltermijn geboden tot 1 december
  7. 1.
  8. Bij afzonderlijke besluiten van 18 december 2009 heeft de Svb namens het college de bijstand van appellanten beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van oktober
  9. 1.
  10. Bij afzonderlijke besluiten van 26 april 2010 (bestreden besluiten) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 18 december 2009 ongegrond verklaard. Daaraan heeft de Svb het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft op 4 maart 2009 verklaard een woning en omliggende grond in Marokko te bezitten. Door van de woning niet eerder melding te maken en hierover ook nadien geen informatie te verstrekken, hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, omdat het niet duidelijk is of appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren.
  11. Tegen de bestreden besluiten hebben appellanten beroep ingesteld. Appellanten hebben in beroep een in de Franse taal gestelde en in het Nederlands vertaalde ‘Attestation Administrative’ (administratieve verklaring) van 12 juli 2010 ingebracht, afkomstig van het dorpshoofd van de plaats Beni Ammart in Marokko. In deze verklaring is vermeld dat appellant eigenaar was van een bouwvallige woning in het dorpsgewest Assamar Beni Ammart in Marokko.
  12. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit van de woning en de grond in Marokko. Hiertoe is overwogen dat appellant heeft verklaard dat hij een woning en omliggende grond in Marokko bezit en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan deze verklaring. De rechtbank heeft in dit kader tevens waarde toegekend aan de administratieve verklaring van 12 juli
  13. Voorts zijn appellanten er niet in geslaagd om met controleerbare gegevens aan te tonen dat zij wel recht op bijstand zouden hebben gehad als zij hun inlichtingenverplichting niet zouden hebben geschonden. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand per 1 oktober 2009 niet meer kan worden vastgesteld en dat de Svb bevoegd was om de bijstand van appellanten in te trekken.
  14. In hoger beroep hebben appellanten een tweede door het dorpshoofd van Beni Ammart in de Franse taal gestelde en in het Nederlands vertaalde administratieve verklaring van 4 april 2011 ingebracht. In deze verklaring is vermeld dat de woonruimte gevestigd in Douar Assamar, waarvan appellant een van de erfgenamen is, momenteel in vervallen staat verkeert. Ook hebben appellanten enkele foto’s overgelegd. Voorts hebben appellanten het volgende aangevoerd. De Svb had zijn besluit niet mogen baseren op de enkele verklaring van appellant van 4 maart 2009 dat hij een woning en omliggende grond in Marokko bezit en had, nu het om een belastend besluit gaat, nader onderzoek moeten laten doen naar de waarde van de woning en de grond. Appellanten betwisten dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Uit de administratieve verklaringen en de foto’s blijkt volgens appellanten dat de woning en de grond geen, dan wel een geringe waarde heeft die niet aan bijstandsverlening in de weg staat. Appellanten stellen met betrekking tot het verkrijgen van informatie over de waarde van de woning en de grond in bewijsnood te verkeren.
  15. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
  16. De Svb heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 1 oktober 2009 tot en met 18 december
  17. 5.
  18. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. 5.
  19. Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant tijdens een onderzoek in het kader van zijn aanvraag om bijzondere bijstand op 4 maart 2009 heeft verklaard dat hij een woning en omliggende grond bezit in Marokko. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van deze verklaring en evenmin is gebleken dat appellant hieraan niet gehouden zou kunnen worden. Niet zonder betekenis zijn voorts de administratieve verklaringen van 12 juli 2010 en 4 april
  20. Deze administratieve verklaringen bevestigen immers de eerdere verklaring van appellant dat hij een woning en grond bezit in Marokko. Dit brengt met zich dat de Svb aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van het afleggen van die verklaring op 4 maart 2009 bezitter was van de woning en de grond. Niet in geschil is dat appellanten van het bezit van de woning en de grond geen melding hebben gemaakt bij de Svb. Het betoog dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, slaagt dan ook niet. 5.
  21. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 12 april 2011, LJN BQ1120) dienen daarbij ook de door de betrokkene in de fase van beroep en hoger beroep alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken. Bezien tegen deze achtergrond lag het, anders dan appellanten aanvoeren, niet op de weg van de Svb nader onderzoek te doen naar de waarde van de woning en de grond. 5.
  22. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de hier te beoordelen periode recht op bijstand hadden. De door appellanten overgelegde administratieve verklaringen geven onvoldoende inzicht in de waarde van de woning en de grond. De enkele verklaring van het dorpshoofd dat de woning in vervallen staat verkeert, is in dit kader onvoldoende concreet. Ook de door appellanten overgelegde foto’s bieden onvoldoende inzicht in de werkelijke waarde van de woning en de grond. Appellanten hebben er nog op gewezen dat de woning in de bergen is gelegen, dat deze is verwoest tijdens een aardbeving in 2004 en in elkaar is gestort en dat appellant slechts een gering (erf)deel van de woning bezit. Hoewel deze omstandigheden in hun algemeenheid iets zeggen over de toestand en de waarde van de woning en de grond, kunnen hierin onvoldoende concrete aanknopingspunten worden gevonden over hoeveel de woning en de grond werkelijk waard zijn of wat de waarde is van het appellant toekomende deel. 5.
  23. Appellanten hebben met nadruk gewezen op de bewijsnood waarin zij verkeren. Deze bewijsnood hebben appellanten evenwel over zichzelf afgeroepen. Het vertrekpunt in deze zaak is immers dat appellanten - in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting - hebben nagelaten de Svb tijdig en volledig in te lichten over de woning en de grond in Marokko. Daarmee is aan de Svb de mogelijkheid onthouden om zich een actueel beeld te vormen van de feiten en omstandigheden die voor de bijstandsverlening van belang zijn en om, waar nodig, meteen controlerend en bijsturend op te treden. Deze grond slaagt dan ook niet. 5.
  24. Uit het voorgaande volgt dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting door appellanten het recht op bijstand per 1 oktober 2009 niet meer is vast te stellen. De Svb was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand met ingang van 1 oktober 2009 in te trekken. De wijze waarop de Svb gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid is door appellanten verder niet bestreden. 5.
  25. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  26. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober
  27. (getekend) J.J.A. Kooijman (getekend) J.T.P. Pot HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.