12/4409 ZW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 31 oktober
- PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 april 2012, 11/
- Bij verzoekschrift van 7 augustus 2012 heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening. Het Uwv heeft bij brieven van 24 augustus en 18 september 2012 gereageerd en nadere stukken overgelegd. Verzoeker heeft daarop op 2 september en 8 oktober 2012 gereageerd en nadere stukken in het geding gebracht. Het Uwv heeft daarop desgevraagd bij brief van 15 oktober 2012 gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober
- Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. OVERWEGINGEN
- Voor een overzicht van de feiten verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak van 24 april
- Hij volstaat hier met het volgende.
- Bij besluit van 16 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv na bezwaar het besluit van 30 augustus 2011 gehandhaafd, waarbij verzoeker ingaande 5 september 2011 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is geweigerd omdat hij niet langer ongeschikt werd bevonden voor zijn arbeid.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft hij verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat het Uwv wordt veroordeeld tot het betalen van voorschotten op verzoekers uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), ZW of Werkloosheidswet (WW) met ingang van 5 september
- De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 5.
- Gelet op artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 5.
- De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 december 2003 (LJN AO0764), de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen. 5.
- Namens verzoeker is aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat hij als gevolg van het opschorten van zijn ZW-uitkering per 5 september 2011 zonder inkomen zit. 5.
- De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht. 5.
- Uit de door partijen overgelegde stukken is de voorzieningenrechter gebleken en partijen hebben dit ter zitting desgevraagd bevestigd, dat appellant ten tijde van het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening een WW-uitkering ontving. Die uitkering loopt in beginsel door tot en met 29 maart
- Het Uwv heeft voorts aangegeven, dat een mogelijk onverschuldigd verstrekte uitkering nog niet van verzoeker is ingevorderd en dat bij een daadwerkelijke invordering rekening zal worden gehouden met de beslagvrije voet. Van een (dreigende) financiële noodsituatie die een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen is derhalve geen sprake. 5.
- Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober
- (getekend) Ch. van Voorst (getekend) H.J. Dekker NW