← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY1888

12/2896 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2012, 11/4980 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 31 oktober

  1. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.M.F. Snelder, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober
  2. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Snelder. Namens het Uwv is verschenen mr. W.M.J. Evers. OVERWEGINGEN 1.
  3. Appellant heeft van 1 oktober 2007 tot en met 30 maart 2008 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen op voorschotbasis omdat hij werkzaamheden als zelfstandige verrichtte. Voor de vaststelling van de inkomsten van appellant over die periode en de daarmee samenhangende verrekening heeft het Uwv appellant op 26 mei 2011 meegedeeld dat voor de inkomsten over 2007 wordt uitgegaan van een bedrag van € 17.689,
  4. Appellant is daarbij in de gelegenheid gesteld om op dat bedrag te reageren waarbij als uiterste datum 9 juni 2011 is genoemd. 1.
  5. Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant € 7.813,00 aan voorschot op de WW-uitkering dient terug te betalen. In de bezwaarclausule aan de voet van dat besluit is vermeld dat appellant voor 10 augustus 2011 een bezwaarschrift kan indienen. 1.
  6. Bij brief van 28 juli 2011 is namens appellant door [v/d H.] bezwaar gemaakt tegen het bedrag aan verzamelinkomen dat is vermeld in de brief van 26 mei
  7. 1.
  8. Op 2 augustus 2011 is door het Uwv bij brief een toelichting gegeven op de berekening van de terugvordering. 1.
  9. Bij brief van 29 augustus 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 juni
  10. 1.
  11. Bij besluit van 7 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard in verband met een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Volgens het Uwv is de brief van 28 juli 2011 geen bezwaarschrift omdat uitdrukkelijk is verwezen naar het informatieverzoek van 26 mei
  12. In die brief wordt niet gesproken van een bezwaar tegen de beslissing van 28 juni 2011 terwijl deze toen wel bekend was. Verder stelt het Uwv dat de zinsnede ‘U hoeft dus nog niets te doen’ in het besluit van 28 juni 2011 overduidelijk slaat op het terugbetalen van de te veel ontvangen uitkering. Ten slotte is de verwijzing van appellant naar de uitspraak van de Raad van 14 september 2006, LJN AY8693, volgens het Uwv niet relevant omdat in het besluit van 28 juni 2011, anders dan in dat geval, wel de mogelijkheid van bezwaar werd vermeld.
  13. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het standpunt van Uwv onderschreven dat de brief van 28 juli 2011 geen bezwaarschrift is. Tevens onderscheef de rechtbank het standpunt van het Uwv ten aanzien van de zinsnede ‘U hoeft nu dus nog niets te doen.’ Ook onderschreef de rechtbank het standpunt van het Uwv over de betekenis van de uitspraak van de Raad van 14 september
  14. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.
  15. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de brief van 28 juli 2011 geen bezwaarschrift is. Gelet op de verwijzing in de aanhef van die brief en op de inhoud daarvan, was die brief een reactie op de brief van het Uwv van 26 mei
  16. Uit het door appellant vermelde kenmerk van het Uwv volgt niet hij bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2011 wilde maken omdat het Uwv dat kenmerk immers ook in andere correspondentie met appellant voerde. De gronden van appellant in hoger beroep zijn in wezen een herhaling van hetgeen hij in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd. Aangezien wordt onderschreven wat de rechtbank heeft vastgesteld en overwogen, wordt voor het overige volstaan met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak. 3.
  17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober
  18. (getekend) H.G. Rottier (getekend) M.R. Schuurman Gdj

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.