12/2466 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 maart 2012, 11/9658 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 2 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Koot, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september
- Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser. OVERWEGINGEN 1.
- In geschil is een einde wachttijd beoordeling ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het (bestreden) besluit van 14 november 2011 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv zijn besluit van 1 juli 2011 gehandhaafd, waarin per 10 mei 2011 een WIA-uitkering is geweigerd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.
- De rechtbank stelt vast dat appellante door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is onderzocht, deze kennis hebben genomen van het dossier en de diagnose ziekte van Crohn bij hun beoordeling hebben meegewogen. De verzekeringsarts stelt in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) beperkingen vast. De verzekeringsarts overweegt dat appellante voor haar ziekte wordt behandeld met medicatie en de medische situatie stabiel is. De bezwaarverzekeringsarts sluit zich hierbij aan en vult aan dat uit het laatste verslag van de behandelend specialist van 29 september 2011 blijkt dat er de laatste tijd niet of nauwelijks ontstekingsactiviteiten zijn aangetroffen en er geen aanwijzingen zijn voor ontvlammingen. De door de specialist in algemene zin genoemde vermoeidheid bij de ziekte van Crohn heeft de bezwaarverzekeringsarts tijdens eigen onderzoek niet zelf bij appellante kunnen waarnemen. Hetzelfde geldt voor het door appellante geclaimde vertraagde handelingsniveau. Wel heeft de bezwaarverzekeringsarts op grond van de door appellante verstrekte laboratoriumuitslagen van allergietesten de FML op 3 november 2011 aangevuld met een beperking voor blootstelling aan huisstofmijt. Uit het onderzoek van de verzekeringsartsen en de informatie van de behandelend specialist blijkt niet van dusdanige ziekteverschijnselen dat op energetische gronden een urenbeperking in de FML moet worden opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante niet hebben onderschat.
- In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat de uit de ziekte van Crohn voortvloeiende beperkingen onvoldoende zijn meegewogen. Uit de rapportages van haar behandelend specialist blijkt dat deze ziekte chronische vermoeidheid met zich meebrengt. Dat blijkt ook uit haar dagverhaal. Zij is nauwelijks tot iets in staat en moet veelvuldig gaan liggen om de pijnklachten op te vangen. De met de chronische vermoeidheid en pijn samenhangende beperkingen - ten aanzien van handelingstempo, concentratievermogen en werktijden - zijn onvoldoende in de FML vastgelegd. 3.
- De Raad overweegt als volgt. 3.
- De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit berust op een zorgvuldig onderzoek. De overwegingen in de aangevallen uitspraak worden onderschreven. In de rapportage van 7 maart 2012 is daarnaast door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd dat appellante niet voldoet aan de indicaties van de Standaard verminderde arbeidsduur. Hoewel moeheid als symptoom geldt van de ziekte van Crohn betekent dit volgens de bezwaarverzekeringsarts niet dat een urenbeperking moet worden vastgesteld. In het geval van appellante zijn er geen aanwijzingen dat de moeheid rechtstreeks voortkomt uit het ziekteproces. Op de datum in geding was er weinig ontstekingsactiviteit in de darm aanwezig. Dat appellante een groot deel van de dag op de bank ligt leidt volgens de bezwaarverzekeringsarts juist tot deconditionering. Volgens de rapportage van de verzekeringsarts van 21 juni 2011 kan beweging en werken aan conditie bijdragen aan het verminderen van de vermoeidheidklachten bij de ziekte van Crohn. Er is geen indicatie aanwezig volgens de bezwaarverzekeringsarts dat appellante in volledig gangbaar, fysiek lichte arbeid (zonder nachtdiensten) niet de hele dag actief zou kunnen zijn. In de FML van 2 november 2011 is voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellante. Er zijn in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. 3.
- Ten aanzien van de (medische) geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies wordt verwezen naar het aanvullende arbeidsdeskundige onderzoek in bezwaar van 8 november
- De bezwaararbeidsdeskundige acht de geselecteerde functies passend voor appellante en verwijst naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 30 juni 2011 en de notities functiebelasting van 29 juni
- Het Uwv heeft aldus voldoende toegelicht dat de belasting van de functies valt binnen de vastgestelde belastbaarheid en beperkingen in de FML. 3.
- Uit hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november
- (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) I.J. Penning TM