← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2118

11/2595 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 23 maart 2011, 10/72 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 2 november

  1. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 12 oktober 2012, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN
  2. Bij besluit van 15 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv na bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 19 augustus 2009 tot weigering aan appellant met ingang van 11 december 2008 van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat bij appellant sprake is van toegenomen medische beperkingen sedert de laatste beoordeling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA, maar dat hij in staat kan worden geacht passende functies te vervullen, resulterend in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35%. 2.
  3. De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 april
  4. De rechtbank heeft geen reden gevonden om aan te nemen dat de in de FML opgenomen beperkingen, waarbij rekening is gehouden met een toename van de schouder- en psychische klachten van appellant, per de datum in geding onvoldoende zijn. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat appellant zijn standpunt dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen niet nader heeft onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens. Voorts heeft de rechtbank het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven, dat voor het aannemen van een urenbeperking geen aanleiding bestaat. De bezwaarverzekeringsarts heeft haar opvatting toegelicht tegen de achtergrond van de Standaard Verminderde Arbeidsduur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in zijn situatie een urenbeperking moet worden aangenomen. 2.
  5. Op basis van de beperkingen die in de FML zijn opgenomen, acht de rechtbank het aannemelijk dat appellant in staat is om een voldoende aantal geduide functies te vervullen. De rechtbank is van oordeel dat de signaleringen van de geduide functies door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende zijn gemotiveerd in diens rapporten van 14 december 2009, 23 februari 2010 en 7 januari
  6. 2.
  7. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat het Uwv eerst in beroep de geduide functies heeft voorzien van een voldoende motivering, aanleiding gezien om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel en het beroep gegrond te verklaren. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.
  8. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij door de rechtbank is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd, dat er sprake is van meer beperkingen dan door het Uwv is vastgesteld en dat de geduide functies niet passend zijn
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten herhaald. De Raad kan zich volledig vinden in de over zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen en het door haar daarop gegronde oordeel. 4.
  11. Wat betreft de door appellant gehandhaafde bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit, overweegt de Raad dat het dossier geen gegevens bevat die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de verzekeringsartsen van het Uwv de psychische en lichamelijke gesteldheid van appellant op de datum in geding niet correct hebben vastgesteld. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn standpunt niet nader onderbouwd aan de hand van objectief-medische gegevens, bijvoorbeeld afkomstig van de hem behandelende artsen. 4.
  12. Met betrekking tot het eveneens door appellant staande gehouden standpunt dat hij niet geschikt is de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te vervullen, acht ook de Raad door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd dat appellant ondanks de voor hem vastgestelde beperkingen in staat kan worden geacht deze functies te vervullen. Appellant heeft tegen de geselecteerde functies geen specifieke bezwaren meer aangevoerd. 4.
  13. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.
  14. De Raad acht geen termen aanwezig voor proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november
  15. (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) Z. Karekezi KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.