← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2372

10/3737 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2010, 09/4021 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak 6 november

  1. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september
  2. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik en J.M. Buitendijk. OVERWEGINGEN 1.
  3. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn eerder tussen partijen gewezen uitspraak van 12 mei 2009, LJN BI5092, en de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.
  4. Appellant was sinds september 1999 voor 9 uur per week in een zogeheten ID-baan werkzaam bij de Stichting Werkgeversinstituut Sociaal Cultureel Werk. In zijn in 1.1 vermelde uitspraak heeft de Raad er op gewezen dat een dergelijke dienstbetrekking geldt als een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand. 1.
  5. Bij besluit van 18 augustus 2009 heeft het college aan appellant bericht dat deze voorziening per 1 september 2009 wordt beëindigd, omdat deze niet langer als doelmatig kan worden beschouwd. 1.
  6. Bij het op 30 oktober 2009 verzonden besluit (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2009 ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft zich op de hierna te noemen grond tegen deze uitspraak gekeerd
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van toepassing zijnde bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak. 4.
  10. Appellant heeft in hoger beroep, zoals ter zitting van de Raad nader toegelicht, als belangrijkste beroepsgrond naar voren gebracht dat sprake is van een discrepantie tussen de aangevallen uitspraak en de eerdere uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2007 (06/4171). In laatstgenoemde uitspraak is geoordeeld dat een arbeidsmedische keuring vereist is voor het bepalen van de mogelijkheden van appellant om in een reguliere baan werkzaam te zijn. Dit zou volgens de rechtbank blijken uit het door Valkenbosch Consultancy op 3 november 2005 opgestelde “Advies uitstroommogelijkheden ID-baan”. Volgens appellant heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak onvoldoende beargumenteerd waarom het college dit advies op het punt van een arbeidsmedische keuring niet heeft gevolgd. 4.
  11. De rechtbank heeft daarover het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en het college als verweerder: “De rechtbank overweegt daartoe dat eiser in 1998 is begonnen met een traject gericht op het verkrijgen van een reguliere baan. Uiteindelijk heeft verweerder tot 1 september 2009 voor negen uur per week loonkostensubsidie verstrekt aan de (voormalig) werkgever van eiser. Gedurende het hele traject is eiser in staat gesteld om werkervaring op te doen en in de laatste periode mocht hij 40% van zijn werktijd besteden aan re-integratiewerkzaamheden. Daarnaast heeft verweerder eiser diverse vormen van ondersteuning aangeboden om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten, zoals sollicitatietraining en jobhunting. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser voldoende steun heeft geboden bij het vinden van een reguliere baan. De rechtbank neemt thans afstand van haar oordeel uit 2007 dat verweerder niet eerder dan na uitvoering van het advies in het assessmentrapport, om nader onderzoek te doen naar de medische toestand van eiser, over zou kunnen gaan tot beëindiging van de loonkostensubsidie. De rechtbank wijst er daarbij op dat het rapport, dat blijkens de conclusie eiser uitstroomgeschikt acht daarnaast slechts een advies bevat. Tegen het licht van die conclusie staat het verweerder vrij dit advies al dan niet (geheel) op te volgen. Van een absolute voorwaarde, zoals eiser meent, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat eiser nimmer expliciet heeft gesteld dat hij als gevolg van gezondheidsklachten of medische beperkingen niet in reguliere arbeid zou kunnen werken. Dat valt ook niet te rijmen met het feit dat hij alweer geruime tijd voor 75% reguliere arbeid verricht.” 4.
  12. In deze overwegingen heeft de rechtbank helder en overtuigend gemotiveerd waarom zij tot een ander oordeel is gekomen dan in
  13. 4.
  14. Voor zover appellant tevens heeft aangevoerd dat de procedure niet zorgvuldig zou zijn verlopen, gaat de Raad daaraan voorbij. Appellant geeft niet aan waarom het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen. 4.
  15. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.M. van Male en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november
  17. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) R. Scheffer HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.