11/3845 BESLU 11/3847 BESLU Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie, Staat) en de minister van Veiligheid en Justitie (minister) Datum uitspraak: 25 oktober 2012 PROCESVERLOOP De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank W, in het geding tussen betrokkene en de minister. Bij uitspraak van 18 juli 2011, 09/3652 AW en 09/6634 AW (LJN BR0265), heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de nummers 11/3845 en 11/3847 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst een schriftelijke uiteenzetting gegeven en namens de minister mr. F.E. de Bruijn, advocaat. Namens betrokkene heeft mr. drs. M. de Vries, advocaat, schriftelijk op de standpunten van de Staat en de minister gereageerd. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten. OVERWEGINGEN
- In zijn uitspraak van 18 juli 2011 heeft de Raad vastgesteld dat de (totale) procedure zes jaar en zeven maanden heeft geduurd. Daarnaast is vastgesteld dat van dit tijdsverloop de behandeling van het bezwaar twee jaar en ruim elf maanden heeft geduurd en dat de rechterlijke fase in haar geheel vanaf de datum van ontvangst van het beroepschrift op 26 juli 2007 door de rechtbank tot aan de datum van deze uitspraak bijna vier jaar heeft geduurd. De Raad heeft aan deze vaststellingen het vermoeden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.
- Namens de Staat is - kort samengevat - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden en dat de vertraging (deels) aan de rechter te wijten is. Daarbij is opgemerkt dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden door de rechter. De Staat heeft geconcludeerd dat derhalve een bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding ten laste van de Staat redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald.
- Namens de minister is - kort samengevat - erkend dat de redelijke termijn met twee jaar en zeven maanden is overschreden. De minister heeft te kennen gegeven zich wat betreft de duur van de overschrijding in de bestuurlijke fase van de procedure te refereren aan het oordeel van de Raad, met dien verstande dat naar zijn opvatting de periode vanaf de indiening van het beroepschrift op 12 april 2005 tot het moment waarop de rechtbank dit beroepschrift onbehandeld heeft doorgestuurd aan de minister ter behandeling als bezwaarschrift, te weten 12 december 2006, niet behoort tot de bestuurlijke fase van de procedure, maar moet worden toegerekend aan de rechterlijke fase van de procedure. De overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van deze periode komt volgens de minister voor rekening van de Staat.
- Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de Staat heeft miskend dat er behalve het aan de uitspraak van 18 juli 2011 ten grondslag liggende geschil omtrent verlofuren ook sprake is geweest van een geschil omtrent functiewaardering, welk geschil is ingeleid met een op 6 mei 2003 ingediend bezwaarschrift en is geëindigd met de uitspraak van de Raad van 13 januari 2011, 09/3644 AW (LJN BP2160). Betrokkene heeft betoogd dat, voor beide procedures tezamen, aanspraak bestaat op een vergoeding van € 7.000,-. Voor de eerste procedure komt betrokkene naar zijn mening in aanmerking voor een schadevergoeding van € 3.000,-, voor de tweede van € 4.000,-, waarbij betrokkene zich refereert aan het oordeel van de Raad omtrent de toerekening aan de minister en de Staat.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
- De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt. 5.
- Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Daarin heeft de Raad onder meer overwogen dat in een procedure in drie instanties in zaken zoals deze het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 5.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. 5.
- Wat betreft de vraag of een vervolgprocedure als de onderhavige dient te worden meegenomen bij de vaststelling van de schadevergoeding, volstaat de Raad met verwijzing naar zijn oordeel in zijn uitspraak van 4 mei 2010, LJN BM
- Dit oordeel houdt - kort gezegd - in dat een schadeprocedure als de onderhavige, waarin uitsluitend de schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is, niet langer in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De Raad heeft in die uitspraak daarbij aangetekend dat, indien een rechtbank of de Raad in een separate procedure de hoogte van de schadevergoeding vaststelt, deze procedure niet onnodig lang mag duren. 5.
- Het betoog van betrokkene dat de Staat heeft miskend dat er behalve het aan de uitspraak van de Raad van 18 juli 2011 ten grondslag liggende geschil omtrent verlofuren ook sprake is geweest van een geschil omtrent functiewaardering, ingeleid met een op 6 mei 2003 ingediend bezwaarschrift, kan niet leiden tot het ermee beoogde doel. Betrokkene ziet er met zijn betoog ten onrechte aan voorbij dat dit bezwaar als - rechtsgeldig - ingetrokken moet worden beschouwd. De Raad verwijst in zoverre naar zijn - onder 4 genoemde - uitspraak van 13 januari 2011, waarin de Raad betrokkene uitdrukkelijk niet is gevolgd in zijn opvatting dat de intrekking van zijn bezwaar op dwaling berustte. Vertrekpunt voor de berekening van de redelijke termijn in de onderhavige zaak is - naar reeds besloten ligt in rechtsoverweging 6.1 van de uitspraak van de Raad van 18 juli 2011 - de datum van ontvangst van het bezwaarschrift van betrokkene tegen het besluit van 7 december 2004, te weten 10 december
- 5.
- Het door de minister aangehaalde beroepschrift van 12 april 2005 is gericht tegen het - in de uitspraak van de Raad van 18 juli 2011 genoemde - besluit van de minister van 7 maart 2005, waarbij de minister het aantal verlofuren dat betrokkene mag meenemen naar 2005 heeft vastgesteld op 72,4 uur. De rechtbank heeft dit beroep op 12 december 2006 doorgestuurd naar de minister teneinde dit als bezwaarschrift te behandelen. De Raad onderschrijft niet de opvatting van de minister dat de periode vanaf de indiening van het beroepschrift op 12 april 2005 tot het moment waarop de rechtbank dit beroepschrift heeft doorgestuurd aan de minister niet behoort tot de bestuurlijke fase van de procedure, maar moet worden toegerekend aan de rechterlijke fase van de procedure. In dit verband is van belang dat de minister het besluit van 7 maart 2005 niet duidelijk als een (primair) besluit heeft gepresenteerd en heeft verzuimd een rechtsmiddelenclausule op te nemen in dit besluit. Gelet hierop acht de Raad aannemelijk dat bij betrokkene verwarring is ontstaan over het rechtskarakter van het besluit van 7 maart
- De gevolgen hiervan moeten voor rekening en risico van de minister blijven. De Raad acht verder van betekenis dat betrokkene al in een schrijven van 29 maart 2005 aan de minister te kennen heeft gegeven zich niet te kunnen verenigen met het besluit van 7 maart
- Betrokkene heeft in dit schrijven uiteengezet dat en waarom het besluit van 7 maart 2005 onrechtmatig is. De Raad tekent in dit verband aan dat de minister in een op 5 oktober 2005 aan de rechtbank uitgebracht verweerschrift het volgende heeft opgemerkt (waarbij voor eiser moet worden gelezen betrokkene): “Mogelijk dient eisers brief van 29 maart 2005 […] wel als bezwaarschrift te worden aangemerkt, ofschoon dit niet als zodanig is verwoord […].” 5.
- De hoogte van de schadevergoeding moet worden beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van de Raad van 18 juli
- Zoals onder 1 is weergegeven heeft de Raad vastgesteld dat de behandeling zes jaar en zeven maanden heeft geduurd. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van betrokkene aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Nu de totale behandelingsduur vier jaar mocht bedragen, is deze thans met ruim twee jaar en zeven maanden overschreden. De Raad ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om deze overschrijding geheel of ten dele gerechtvaardigd te achten. Dit een en ander, daarbij in aanmerking genomen dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, leidt bij een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, tot een schadevergoeding van € 3.000,-. De Raad ziet aanleiding een bedrag van € 500,- toe te voegen in verband met de duur van deze schadeprocedure. Dit brengt het totale schadebedrag op € 3.500,-. 5.
- De rechterlijke fase is aangevangen op 26 juli 2007 en is geëindigd met de uitspraak van de Raad op 18 juli
- De nog als redelijk aan te merken behandelingsduur van drie en een half jaar is derhalve met bijna zes maanden overschreden. Gezien de overschrijding in de rechterlijke fase en in aanmerking genomen de (onnodig lange) duur van deze schadeprocedure is het door de Staat in rechtsoverweging 2 genoemde bedrag aan schadevergoeding van € 500,- te laag. Van de totale schadevergoeding van € 3.500,- komt € 1.000,- voor rekening van de Staat. De resterende € 2.500,- komt ten laste van de minister. De Raad zal de minister en de Staat tot vergoeding van deze bedragen veroordelen. 5.
- Het onder 5.1 tot en met 5.7 overwogene leidt de Raad tot de slotsom dat de Staat dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene ten bedrage van € 1.000,- en de minister ten bedrage van € 2.500,-.
- De Raad ziet aanleiding om de Staat en de minister te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadestaatprocedure. Deze kosten worden begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand, door de minister en de Staat elk voor de helft te betalen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding van € 1.000,-; - veroordeelt de minister tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding van € 2.500,-; - veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 218,50; - veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 218,
- Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober
- (getekend) K.J. Kraan (getekend) P.W.J. Hospel SG