← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2410

11/4060 MAW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2011, 09/9075 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Minister van Defensie (minister) Datum uitspraak: 1 november 2012 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september

  1. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Jellema enW.J. Feenstra. OVERWEGINGEN
  2. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie. 2.
  3. Appellant was aangesteld als militair bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd en heeft met ingang van 1 augustus 2007 de functie van instructeur bij School Noord te [C.] vervuld in de rang van wachtmeester eerste klasse. 2.
  4. Over het functioneren van appellant in de periode van 1 april 2008 tot en met 28 oktober 2008 is een beoordeling vastgesteld met als totaaloordeel een onvoldoende. Het gedrag van appellant werd als onvoldoende beoordeeld, omdat hij regelmatig te laat komt, zich per sms ziek meldt en soms in het geheel niet komt opdagen voor een dienst. Tegen deze beoordeling heeft appellant geen bezwaar gemaakt. 2.
  5. Bij brief van 7 april 2009 heeft de commandant School Noord appellant meegedeeld dat hij zal worden gehoord naar aanleiding van het tanken bij een civiel tankstation zonder te betalen. Het horen is bedoeld om te onderzoeken of er naar aanleiding van dit feit en eerdere meldingen van ongewenst/ontoelaatbaar gedrag van appellant redenen zijn om maatregelen ten aanzien van hem te nemen. Bedoelde meldingen zijn in de brief opgesomd. Op 10 april 2009 is appellant gehoord. 2.
  6. Op verzoek van de commandant heeft de commissie van onderzoek en advies (COA) een onderzoek ingesteld. In afwachting van de uitslag van dat onderzoek is appellant geschorst. De COA heeft appellant gehoord en de commandant geadviseerd appellant wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten ontslag te verlenen op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Ook over dat advies is appellant gehoord. 2.
  7. Bij besluit van 2 juli 2009 heeft de minister appellant onder overneming van het advies van de COA met ingang van 1 augustus 2009 ontslag uit de dienst verleend. De minister stelt zich op het standpunt dat appellant vanwege zijn gedragingen niet in zijn militaire ambt gehandhaafd kan worden. Bij besluit van 16 november 2009 heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2009 ongegrond verklaard.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding te voldoen aan het verzoek van appellant ter zitting om een aanvullend beroepschrift alsnog in het geding te brengen. Volgens de rechtbank is appellant ter zitting uitgebreid in de gelegenheid gesteld zijn beroep nader toe te lichten en feiten en omstandigheden die niet uit het dossier blijken alsnog in het geding te brengen. De rechtbank oordeelde verder dat er voldoende concreet aanwijsbare feiten en omstandigheden zijn waaruit volgt dat appellant verregaand nalatig is geweest in de vervulling van zijn plichten. Appellant heeft de hem verweten gedragingen, een enkele uitzondering daargelaten, erkend en hem zijn voldoende hulp en begeleiding geboden bij het op een correcte wijze uitoefenen van zijn functie en om zijn financiële en relationele problemen het hoofd te bieden. Volgens de rechtbank heeft de minister zich terecht bevoegd geacht appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het AMAR ontslag te verlenen en is er geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de aard van de gedragingen, het doorlopende karakter ervan en het feit dat preventieve en correctieve maatregelen geen positieve verandering in houding en gedrag van appellant teweeg hebben kunnen brengen. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de minister het organisatiebelang dat is gelegen in de betrouwbaarheid, integriteit, plichtsbetrachting en geloofwaardigheid van het personeel teneinde een constante kwaliteit in de opgedragen taken en plichten te kunnen waarborgen, zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het persoonlijk belang van appellant. 4.
  9. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank op de hierna te bespreken gronden bestreden. 4.
  10. De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
  11. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
  12. Appellant heeft in de eerste plaats betoogd dat hij tijdig aan zijn advocaat een stuk heeft aangeleverd dat deze als basis zou gebruiken voor een aanvullend beroepschrift. Appellant stelt dat hij is benadeeld doordat deze advocaat zich voor de zitting van de rechtbank heeft onttrokken aan de zaak, aangezien hij door deze gang van zaken onvoldoende gelegenheid heeft gekregen de van belang zijnde feiten en omstandigheden aan te dragen. 5.
  13. Deze stelling treft geen doel. Artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht laat de rechter een zekere vrijheid in zijn beoordeling of binnen tien dagen voor de zitting ingediende stukken bij de beoordeling van het geding zullen worden betrokken. Daarbij kan de rechter, in het licht van regels van een goede procesorde, verschillende factoren laten wegen, waaronder de procespositie van de wederpartij, de reden voor de late indiening van de stukken en de vraag of die stukken een ander licht op de zaak kunnen werpen. In het geval van appellant heeft de rechtbank tot het oordeel kunnen komen dat het ter zitting gedane verzoek om alsnog een aanvullend beroepschrift te mogen indienen moet worden afgewezen. Het verzuim van de voormalige advocaat van appellant om dit stuk tijdig aan de rechtbank te sturen, komt voor risico van appellant. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is af te leiden dat appellant voldoende gelegenheid heeft gekregen om feiten en omstandigheden uit zijn aanvullend beroepschrift aan de orde te stellen en zijn standpunt mondeling toe te lichten. Appellant heeft dat ook niet betwist. Overigens heeft appellant ter zitting van de Raad opnieuw de gelegenheid gehad zijn beroepsgronden toe te lichten. 5.
  14. Het standpunt van de minister dat appellant verregaand nalatig is geweest in de vervulling van zijn plichten berust op de volgende gedragingen: - het veelvuldig te laat op het werk komen in de periode van juni 2007 tot en met maart 2009; - het zich meermalen niet houden aan de regels over ziek- en herstelmelden en - het twee maal tanken van brandstof zonder te betalen. Daarbij heeft de minister betrokken dat appellant bij de beoordeling van 26 november 2008 is gewaarschuwd dat hij zijn gedrag moest verbeteren. 5.
  15. Appellant heeft niet ontkend dat de onder 5.3 vermelde feiten en gedragingen hebben plaatsgevonden. Deze feiten bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant verregaand nalatig is geweest is in de vervulling van zijn plichten, hetgeen volgens artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het AMAR grond voor ontslag kan vormen. 5.
  16. Evenals in beroep heeft appellant aangevoerd, dat de minister onvoldoende oog heeft gehad voor de problematiek die achter zijn gedrag schuilging. Appellant stelt dat hij tegenover zijn leidinggevende hierover wel signalen heeft afgegeven en dat hem niet de hulp is geboden die van een goed werkgever verwacht mag worden. 5.
  17. De rechtbank heeft deze beroepsgrond van appellant verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank hierover, evenals de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Ook voor het overige bieden de beschikbare gegevens geen steun voor het oordeel dat appellant geen of slechts een gering verwijt kan worden gemaakt van zijn nalatigheid. Voorop staat dat het de verantwoordelijkheid van appellant was om op tijd op het werk te komen en om de regels over ziek- en herstelmeldingen na te leven. Ook het tanken zonder af te rekenen is een nalatigheid die aan appellant is te verwijten, zelfs als dit bij vergissing zou zijn gebeurd. Het is niet uit te sluiten dat het gedrag van appellant is beïnvloed door problemen op het werk in de periode vóór hij instructeur werd en doordat hij in 2008 ten onrechte is beschuldigd van verduistering, maar een en ander kan geen verontschuldiging vormen voor de aan appellant verweten feiten. Bij dit oordeel weegt mee dat appellant zich niet onder medische behandeling heeft gesteld en ook geen medische verklaring heeft ingebracht die een ander licht zou kunnen werpen op de vraag of zijn gedrag verwijtbaar is. 5.
  18. Nu de beroepsgronden van appellant niet slagen, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
  19. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november
  20. (getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans (getekend) M.R. Schuurman

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.