11/5922 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 augustus 2011, 11/1156 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. N.R.H. Boasman-Trustfull, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober
- Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is met ingang van 1 januari 2003 voor 36 uur per week als jurist in dienst getreden van de rechtsvoorganger van [W.] (werkgever). Met ingang van 1 juli 2005 is zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Onder meer naar aanleiding van de uitkomsten van een in maart 2010 verricht psychologisch onderzoek bij appellant heeft werkgever de functie medewerker juridische zaken voor appellant gecreëerd en hem die aangeboden. Appellant heeft de functie niet geaccepteerd. Hierop heeft werkgever de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met appellant te ontbinden wegens gewichtige redenen. Bij beschikking van 23 december 2010 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 januari
- Aan appellant is geen vergoeding toegekend. 1.
- Appellant heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Deze is hem bij besluit van 12 januari 2011 blijvend geheel geweigerd met ingang van 1 januari
- Bij besluit van 4 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd. Het Uwv heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en daarom verwijtbaar werkloos is in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is de functie van medewerker juridische zaken die werkgever appellant heeft aangeboden passend en is de afwijzing van dat aanbod door appellant aan te merken als een weigering passende arbeid te behouden. Naar het oordeel van de rechtbank is de overtreding van het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW volledig aan appellant te verwijten. 3.
- Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de aangeboden functie niet als passende arbeid kan worden aangemerkt omdat deze zowel qua inhoud als qua salaris ver beneden het niveau lag van de functie die hij daarvoor vervulde en nog niet formeel was vastgesteld. Appellant is van mening niet verplicht te zijn geweest om dat aanbod te aanvaarden en heeft dan ook betwist dat hij door eigen toedoen passende arbeid niet heeft behouden. 3.
- Het Uwv heeft in hoger beroep gesteld dat de grondslag van het bestreden besluit onjuist is. Van het niet behouden van passende arbeid is volgens het Uwv uitsluitend sprake indien het gaat om het niet behouden van de eigen arbeid bij de eigen werkgever. Omdat het hier gaat om het niet aanvaarden van passende, maar andere dan de eigen arbeid is volgens het Uwv het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW overtreden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Nu het Uwv de door hem aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde wettelijke basis niet juist acht en niet heeft gehandhaafd komt dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. 4.
- Bezien dient te worden of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven. 4.2.
- In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW, is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt, doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt. Als passende arbeid wordt op grond van artikel 24, derde lid, van de WW beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Indien een werknemer de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW opgenomen verplichting niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, tweede lid, van de WW de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen. 4.2.
- Appellant heeft als jurist met nog één andere persoon op de afdeling Juridische Zaken van werkgever gewerkt. Op 17 maart 2008 is bij appellant een onderzoek gedaan naar diens capaciteiten, eigenschappen en vaardigheden tegen de achtergrond van een beleidsmatig-inhoudelijke functie op academisch niveau. In het hiervan opgemaakte rapport staat onder meer dat de intellectuele capaciteiten van appellant zich onderin de bandbreedte van personen met een academische opleiding bevinden. Dit heeft werkgever ertoe gebracht om op 24 juni 2009 een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met appellant wegens gewichtige redenen in te dienen bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft dat verzoek bij beschikking van 3 september 2009 afgewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat uit de stukken weliswaar kon worden opgemaakt dat appellant een aantal voor zijn functie benodigde vaardigheden miste, maar dat van werkgever verwacht mocht worden dat hij appellant een concreet verbetertraject zou aanbieden of met hem de mogelijkheden zou bespreken om een lager gekwalificeerde functie te aanvaarden. De kantonrechter heeft het creëren van een lager gekwalificeerde functie met eventueel een daaraan gekoppelde salarisvermindering een mogelijke oplossing genoemd. 4.2.
- Na de beschikking van de kantonrechter heeft werkgever appellant psychologisch laten testen. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 5 maart
- Onder meer is naar voren gekomen dat appellant op analytisch gebied tekort schiet om als jurist werkzaam te kunnen zijn, sterk prestatiegericht is, overkomt als een evenwichtige persoonlijkheid, een goed ontwikkelde contactvaardigheid heeft en sociaal betrokken is. Appellant is aangeraden een stapje terug te doen naar een meer praktisch, uitvoerend niveau van beroepsuitoefening. Als voorbeeld is genoemd een functie als juridisch medewerker op uitvoerend niveau en binnen vaste kaders. Appellant heeft ingestemd met deze bevindingen en werkgever is in overleg met appellant op zoek gegaan naar een bij de capaciteiten van appellant passende structurele, zinvolle, volwaardige functie, waarbij een overgangsregeling zou worden getroffen met betrekking tot het salaris. In de tussentijd heeft appellant werkzaamheden op projectmatige basis verricht. 4.2.
- Werkgever heeft de functie medewerker juridische zaken voor appellant gecreëerd en het daarbij behorende concept-functieprofiel op 18 augustus 2010 met appellant besproken. Appellant heeft in reactie hierop te kennen gegeven dat de gecreëerde functie geen passende, zinvolle en volwaardige functie is die aansluit bij zijn capaciteiten en dat hij hoofdzakelijk juridische werkzaamheden wil blijven verrichten. In een gesprek op 31 augustus 2010 heeft werkgever voorgesteld om appellant enkele weken extra klussen met juridische aspecten te geven en het functieprofiel afhankelijk van de wijze waarop appellant die werkzaamheden zou verrichten, al dan niet aan te passen. Appellant is hierop niet ingegaan en is bij zijn afwijzing gebleven. Bij brief van 6 oktober 2010 heeft werkgever appellant de functie medewerker juridische zaken aangeboden, waarbij het salaris over een periode van anderhalf jaar in driemaandelijkse stappen zou worden afgebouwd. Appellant heeft de functie niet geaccepteerd, waarna de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van werkgever heeft ontbonden met ingang van 1 januari
- 4.2.
- Het Uwv heeft terecht het standpunt ingenomen dat artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW ziet op deze situatie. Voor de beoordeling of appellant de in dat artikel opgenomen verplichting heeft geschonden moet worden beoordeeld of het gedane aanbod passende arbeid betrof. De aangeboden, voor appellant gecreëerde functie was van ondersteunende administratief-juridische aard op MBO-niveau. Zij lag weliswaar op een veel lager niveau dan de voorheen door appellant vervulde functie van jurist, maar was berekend voor de krachten en bekwaamheden van appellant, zoals deze waren omschreven in het rapport van het psychologisch onderzoek van 5 maart 2010, dat zowel voor werkgever als voor appellant het uitgangspunt vormde bij het zoeken van een andere functie voor appellant. De voor het salaris getroffen overgangsregeling is aanvaardbaar. De stelling van appellant dat hij de functie niet behoefde te aanvaarden omdat deze ten tijde van het aanbod nog niet formeel was vastgesteld slaagt niet. Er lag immers een concreet aanbod waaraan werkgever bij aanvaarding van dat aanbod door appellant zou zijn gebonden. Een formele vaststelling van de functie is daartoe niet vereist. Van redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard op grond waarvan niet van appellant kon worden gevergd de aangeboden arbeid te aanvaarden is ten slotte niet gebleken. Hieruit volgt dat de arbeid als medewerker juridische zaken wordt aangemerkt als passende arbeid. 4.2.
- Appellant heeft de aangeboden passende arbeid niet aanvaard en is daardoor werkloos geworden. Hiermee heeft hij niet voldaan aan de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW opgenomen verplichting om werkloosheid te voorkomen. Omdat het om een voltijdse functie ging was het Uwv op grond van artikel 27, tweede lid, van de WW verplicht de WW-uitkering van appellant blijvend geheel te weigeren. Gelet hierop is er aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand blijven.
- Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 874, - in beroep en op € 874, - in hoger beroep aan kosten van rechtsbijstand, in totaal € 1.748, -. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep tegen het besluit van 4 mei 2011 gegrond en vernietigt dat besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748, -; - bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november
- (getekend) G.A.J. van den Hurk (getekend) Z. Karekezi