11/2379 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 maart 2011, 09/4374 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 9 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september
- Appellante is verschenen met bijstand van mr. Van Es. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 22 september 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 5 november 2008 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), aangezien de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per evengenoemde datum minder dan 35% is. 1.
- Bij besluit van 11 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op appellantes bezwaren, zijn besluit van 22 september 2008 gehandhaafd.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank gemotiveerd overwogen dat zij geen aanleiding heeft gezien het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten en dat zij evenmin aanknopingspunten heeft aangetroffen voor de stelling dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. Voorts heeft de rechtbank gemotiveerd overwogen dat de voor de arbeidsongeschiktheidsschatting in aanmerking genomen functies voor appellante passend zijn. 3.
- In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen als gevolg van de hand- en schouderklachten. Zij stelt dat zij duurzaam niet belastbaar is met arbeid. In dit verband is gewezen op de informatie van de reumatoloog G. Colée van 24 juni 2008 en 7 april
- In ieder geval meent appellante dat op basis van deze informatie zeer gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen, zodat zij de Raad om inschakeling van een deskundige (reumatoloog) verzoekt. 3.
- Appellante heeft voorts uitvoerig betoogd waarom zij de haar voorgehouden functies niet kan verrichten. 3.
- Appellante heeft - overeenkomstig artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht - ten slotte verzocht om een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat aanknopingspunten ontbreken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen onjuist is. De Raad voegt hieraan het volgende toe. 4.2.
- Appellantes claim dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar (hand- en schouder)klachten steunt op de brieven van reumatoloog G. Colée van 24 juni 2008 en 7 april
- 4.2.
- In de brief van 24 juni 2008 wordt ten aanzien van de schouderklachten gesteld dat er klinisch geen aanwijzingen zijn gevonden voor een probleem in het schoudergewricht of voor een impingementsyndroom en dat de pijn hoogstwaarschijnlijk myogeen van aard is. De Raad vindt hierin geen steun voor appellantes standpunt dat met haar schouderklachten ten onrechte geen rekening is gehouden. 4.2.
- In de brief van 7 april 2008 wordt melding gemaakt van al lang bestaande seropositieve destructieve reumatoïde artritis die heeft geleid tot ankylose en destructie van de polsen en forse veranderingen in de rechterhand waarvoor eerder operatief ingrijpen door de handchirurg noodzakelijk is geweest. Colée heeft voorts opgemerkt dat het reumatische proces wat betreft ontstekingsactiviteit rustig is met geen objectieve aanwijzingen voor actieve artritis, maar dat er wel sprake is van functieverlies aan met name handen en polsen. De Raad ziet hierin, mede gelet op het aantal en de zwaarte van de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 augustus 2008 neergelegde beperkingen op de rubrieken ‘Aanpassing aan fysieke omgevingseisen’, ‘Dynamische handelingen’ en ‘Statische houdingen’, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellantes beperkingen als gevolg van haar handklachten zijn onderschat. 4.2.
- Voor zover appellante heeft gesteld dat, zo begrijpt de Raad, de conclusies van de reumatoloog en de bezwaarverzekeringsarts in strijd zijn met elkaar, kan de Raad appellante niet volgen. Uit de FML van 26 augustus 2008 blijkt immers dat naar aanleiding van de informatie van Colée bij een aanzienlijk aantal belastbaarheidsaspecten beperkingen zijn aangenomen. De Raad verwijst in dit verband voorts naar de verzekeringsgeneeskundige rapportages van 26 augustus 2008 en 21 april
- 4.2.
- Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.2.4 vloeit voort dat de Raad geen aanleiding ziet om zich nader te laten voorlichten door een onafhankelijk deskundige. 4.
- De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat de geduide functies voor appellante passend zijn. De Raad voegt daar het volgende aan toe. 4.4.
- In het rapport van 8 mei 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige - na overleg met de bezwaarverzekeringsarts - op overtuigende wijze gemotiveerd dat de bij de functies verschenen signaleringen van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid, in het onderhavige geval geen overschrijding van appellantes belastbaarheid opleveren. In het bijzonder met betrekking tot het bedienen van het toetsenbord en het hanteren van de muis heeft de bezwaararbeidsdeskundige - na overleg met de arbeidskundig analist - uitvoerig uiteengezet waarom de op dit aspect gevraagde belasting, die in alle aan de schatting ten grondslag gelegde functies voorkomt, appellantes belastbaarheid niet te boven gaat. Bij de Raad is geen twijfel gerezen omtrent de houdbaarheid van deze uiteenzetting. 4.4.
- Evenmin is gebleken dat de functies in hun geheel genomen niet als passend kunnen worden beschouwd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in dit kader - eveneens in zijn rapport van 8 mei 2009 - toegelicht dat de functies volgens hem ook qua totaalbelasting geschikt zijn. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten aangetroffen voor het oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige hierin niet kan worden gevolgd. 4.5 Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zodat ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november
- (getekend) T. Hoogenboom (getekend) J.R. Baas KR