← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2775

11/5050 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo 13 juli 2011, 09/1023, (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellant) De Korpsbeheerder van de politieregio Twente (korpsbeheerder) Datum uitspraak: 8 november 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.H. Welter hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens hebben partijen nog nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting in deze zaak heeft, gevoegd met de zaken van [C. te D.], nummer 11/5048, en [E. te F.], nummer 11/5049, plaatsgehad op 27 september

  1. Appellant is verschenen evenals [C.] en [E.], allen bijgestaan door mr. Welter. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.I. Bruinsma-van Straten, A.A.G. Hollink en O. Strikker. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN 1.
  2. In het kader van een reorganisatie bij de politieregio Twente (politieregio) is appellant bij besluit van 23 september 2008 (besluit 1) met ingang van 1 september 2008 geplaatst in de functie van senior tactische recherche bij de Divisie Informatie en Recherche (DIR), salarisschaal
  3. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt. 1.
  4. Intussen had appellant de korpsbeheerder verzocht om te bewerkstelligen dat hij geplaatst wordt in de functie van professional tactische recherche bij de DIR, salarisschaal
  5. Een onderzoek werd toegezegd. Daarmee werd [H.] (H), unitchef bij de DIR, belast. H heeft op 22 september 2008 een advies uitgebracht. Bij besluit van 30 september 2008 (besluit 2) is het verzoek afgewezen. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 augustus 2009 (bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen geheel in stand blijven. Tevens zijn bepalingen over proceskosten en griffierecht gegeven. 3.
  7. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant vindt dat hij ten onrechte geplaatst is in de functie van senior tactische recherche en niet in de functie van professional tactische recherche. Hiertoe betwist hij op onderdelen de juistheid van het advies van H, welk advies aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. 3.
  8. H heeft in zijn advies allereerst de belangrijkste verschillen tussen de functie van professional tactische recherche en senior tactische recherche in kaart gebracht. Aan de hand daarvan heeft hij de criteria geformuleerd waaraan de uitgevoerde werkzaamheden moeten voldoen om te kwalificeren voor indeling in de functie van professional. In het bijzonder moet de zaakscoördinatie zijn gedaan van langdurige onderzoeken, die meer dan een jaar hebben geduurd, die complex zijn en een hoog afbreukrisico kennen en waarbij langdurig zware bijzondere opsporingsmiddelen zijn ingezet. Vervolgens heeft hij alle onderzoeken die geheel of gedeeltelijk liepen in de referteperiode van twee jaar, getoetst aan die criteria. Tot slot heeft hij de werkzaamheden van appellant binnen de referteperiode - van 1 januari 2006 tot 1 januari 2008 - in ogenschouw genomen en geconcludeerd dat de werkzaamheden die appellant heeft uitgevoerd in die periode en de rol die hij in die onderzoeken heeft vervuld, passen bij de functiebeschrijving van de senior tactische recherche. De korpsbeheerder heeft dit advies overgenomen. 3.
  9. Evenals de rechtbank en op de door de rechtbank aangegeven gronden is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor een referteperiode van twee jaar. Appellant wenst indeling in een functie waaraan een hogere salarisschaal is verbonden. De korpsbeheerder heeft daarom niet onterecht aansluiting gezocht bij de Uitvoeringsregeling Functie-onderhoud Politie Twente (Regeling). In artikel 20 van die Regeling is bepaald dat sprake moet zijn van het gedurende langere tijd feitelijk opgedragen werkzaamheden verrichten die wezenlijk afwijken van de functie waarin de belanghebbende is ingedeeld. In de toelichting bij artikel 20 is vermeld dat als uitgangspunt voor invulling van het begrip “gedurende langere tijd” een periode van een jaar wordt genomen. Een oprekking daarvan tot meer dan twee jaar, zoals appellant wenst, vormt geen juiste toepassing van de Regeling, nu immers juist in die laatste periode niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor indeling in een andere organieke functie. Voorts is van belang dat de korpsbeheerder deze referteperiode in alle gevallen consequent heeft toegepast. De grond van appellant met betrekking tot de gekozen referteperiode slaagt niet. 3.
  10. Appellant heeft in de referteperiode deelgenomen aan het Pedro onderzoek, dat wel aan de gestelde criteria van langdurigheid, complexiteit, hoog afbreukrisico en langdurige inzet van zware bijzondere opsporingsmiddelen voldoet. Met betrekking tot dat onderzoek onderschrijft de Raad echter het oordeel van de korpsbeheerder en de rechtbank wat betreft de positie van appellant in dat onderzoek. Gegeven het feit dat kenmerkend voor de functiebeschrijving van de professional is: het doen van de zaakscoördinatie van complexe en/of omvangrijke tactische onderzoeken, is beslissend welke functionaris door de leiding is aangewezen voor de dagdagelijkse leiding van een dergelijk onderzoek. Uit de gedingstukken blijkt weliswaar dat zowel appellant als zijn collega K in dat onderzoek waren aangewezen als proces verbaalcoördinator, maar uit het operationeel projectplan dat voorafgaand aan het Pedro onderzoek is gemaakt, blijkt dat K is aangewezen als rapporteur voor dat onderzoek. Dat in de praktijk appellant en zijn collega K mogelijk in hoge mate als onderling uitwisselbaar acteerden en elkaar vervingen, brengt niet met zich mee dat de korpsbeheerder bij zijn besluit of appellant voor indeling in de functie van professional in aanmerking komt niet meer mag uitgaan van de formele situatie dat K de aangewezen operationeel leidinggevende was. 3.
  11. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het beroep op het gelijkbeginsel slaagt niet. Waar het gaat om een collega, K, die wel werd geplaatst in de functie van professional, is dit niet het geval omdat hij wel voldeed aan de daarvoor gestelde eisen. Ten slotte kan appellant niet baten dat in een concreet geval de toepassing van de referteperiode op het eerste oog een toevallige uitkomst kan hebben; dat is inherent aan de gemaakte keuze, die volgens de overwegingen in 3.3 de rechterlijke toets kan doorstaan.
  12. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.G. Treffers en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november
  13. (getekend) K. Zeilemaker (getekend) S.K. Dekker

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.