← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2824

11/833 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2010, 10/2785 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant], te [woonplaats], Marokko (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 8 november 2012 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012, 20 juli 2012 en 17 augustus

  1. Namens appellant is daarbij op 27 april en 20 juli 2012 verschenen zijn zoon, [naam zoon]. De Svb heeft zich op 27 april 2012 laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans en op 20 juli en 17 augustus 2012 door J.Y. van den Berg. Het onderzoek is tijdens deze zittingen geschorst ten einde appellant de gelegenheid te bieden nadere gegevens in het geding te brengen. Bij brieven ingekomen op 24 en 30 mei 2012 zijn door en namens appellant nadere gegevens overgelegd. De Svb heeft daarop gereageerd bij brief van 21 juni
  2. Bij brief van 1 oktober 2012 heeft de Svb een reactie van het Erasmus Medisch Centrum in het geding gebracht. Voorts heeft [naam zoon] bij brief van 8 oktober 2012 verslag gedaan van zijn zoektocht naar bewijsstukken. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 18 oktober
  3. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. OVERWEGINGEN 1.
  4. Appellant, geboren in 1940, heeft in augustus 2008 bij brief aan de Svb verzocht om aan hem een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toe te kennen. Daarbij heeft appellant gemeld dat hij van 1966 tot 1970 in Rotterdam heeft gewerkt in een confectiefabriek. Vervolgens heeft appellant op het aanvraagformulier om een AOW-pensioen medegedeeld dat hij ook heeft gewerkt bij [L.] B.V., te Rotterdam. Ter ondersteuning van die stelling heeft appellant een brief van laatst genoemde onderneming overgelegd, welke is gericht aan alle medewerkers en is gedateerd op 13 september
  5. 1.
  6. De Svb heeft vervolgens informatie ingewonnen omtrent de gestelde werkzaamheden van appellant en omtrent zijn gestelde verblijf hier te lande bij[L.] B.V., bij de gemeente Rotterdam en bij het pensioenfonds voor de textielindustrie. Alle geadresseerden hebben medegedeeld dat appellant bij hen niet bekend is. 1.
  7. Bij besluit van 12 januari 2010 heeft de Svb geweigerd aan appellant een ouderdomspensioen krachtens de AOW toe te kennen, omdat niet is gebleken dat appellant verzekerd is geweest ingevolge die wet. 1.
  8. Bij beslissing op bezwaar van 27 april 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. 2.
  9. In beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in Nederland werkzaam is geweest onder de naam [naam]. De Svb heeft vervolgens bij de hiervoor genoemde instanties opnieuw informatie ingewonnen over werkzaamheden en of verblijf van [naam] in Nederland. Ook onder die naam of bijnaam is appellant bij die instanties niet bekend. 2.
  10. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
  11. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat hij enige jaren in Nederland werkzaam is geweest. Tevens heeft hij aangevoerd dat hij in 1969 of 1970 enige dagen opgenomen is geweest in een oogziekenhuis in Rotterdam. Bij brieven ingekomen op 24 en 30 mei 2012 zijn door en namens appellant nog nadere gegevens overgelegd.
  12. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  13. Tussen partijen is in geschil of appellant gedurende enig tijdvak verzekerd is geweest ingevolge de AOW op de grond dat hij in Nederland heeft gewoond - en toen ingezetene is geweest in de zin van artikel 3 van de AOW - of hier te lande heeft gewerkt en ter zake daarvan aan de loonbelasting onderworpen is geweest. 4.
  14. Op grond van de thans bekende gegevens moet geconcludeerd worden dat appellant zijn stelling, dat hij in enig tijdvak van 1966 tot 1970 in Nederland heeft gewoond en gewerkt, niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt. Daarbij is allereerst van belang dat appellant geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt van werkzaamheden hier te lande of waaruit afgeleid kan worden dat appellant toen naar de omstandigheden beoordeeld zijn woonplaats in Nederland had. De Svb heeft op grond van de door appellant verstrekte summiere gegevens geprobeerd meer informatie te verkrijgen bij een pensioenfonds, de gemeente Rotterdam, [L.] B.V., het schakelregister en het Erasmus Medisch Centrum, maar deze pogingen hebben niet geleid tot gegevens welke de gestelde werkzaamheden en het gestelde verblijf hier te lande kunnen bevestigen. Verder zijn namens appellant in hoger beroep ook geen stukken overgelegd welke tot een ander oordeel kunnen leiden. De zoon van appellant heeft op diverse manieren getracht bewijsstukken over het gestelde verblijf van appellant hier te lande te verkrijgen, maar is daar blijkens zijn brief van 8 oktober 2012 niet in geslaagd. Aan de overgelegde verklaringen van twee personen kan ten slotte geen doorslaggevende betekenis toegekend worden, reeds omdat daaruit niet blijkt wanneer en hoe lang de betrokkenen samen met appellant in Rotterdam gewoond of gewerkt hebben. 4.
  15. Derhalve moet geoordeeld worden dat op grond van de thans bekende gegevens niet is komen vast te staan dat appellant gedurende enig tijdvak ingezetene is geweest van Nederland, dan wel ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan appellant als verzekerd ingevolge de AOW aangemerkt zou kunnen worden. 4.
  16. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  17. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november
  18. (getekend) T.L. de Vries (getekend) Z. Karekezi TM DÉCISION La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale), statue: confirme la décision attaqueé. Par conséquent, décidée par T.L. de Vries en présence de Z. Karekezi en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public le 8 novembre 2012.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.